Willy Hermans

Jos. Besselink

Een beroemde operazanger uit Hengelo (Gld)

door W.J.M. Hermans

image002

Slechts weinig Hengeloërs slaagden er in het verleden in om nationale of zelfs internationale furore te maken. Toch lukte het de geboren Hengeloër Jos. Besselink (met een punt achter Jos) om met zijn zangkwaliteiten grote bekendheid tot ver over de grenzen te krijgen. Zijn levensloop kon op papier worden gezet dankzij Wim Besselink, de enige zoon die in de Achterhoek bleef. De voormalige Doesburgse huisarts heeft een omvangrijke verzameling van muziekboeken en grammofoonplaten in zijn woning in Drempt. Bij het gastvrije onthaal trakteert hij je eerst op de klanken van zijn vader, want “je moet wel weten waar je over praat”. Op een draaischijf in een oude grammofoonkast legt hij een dikke 78-toerenplaat. Het mechaniek wordt met een slinger opgestart. Na het spannen van de veer komt de draaischijf op gang en klinkt het tachtig jaar oude geluid van de tenor Jos. Besselink als Don José in Carmen. Met het klappen van de deurtjes wordt het volume geregeld. Het krast een beetje, maar ondanks de beperkingen klinkt het prachtige stemgeluid van de tenor onmiskenbaar in de muziekkamer van Wim Besselink. “Elke keer is het een bijzondere belevenis dit geluid van mijn vader van tachtig jaar geleden te horen. Een stem van boven.”
Hij verzamelde het muzikale erfgoed van zijn vader, maar moest daarmee met vrijwel niets beginnen. Jos had zelf geen archief opgebouwd en iemand anders was ook nooit op dat idee gekomen. Het was geen eenvoudige taak voor Wim, die advertenties in muziekbladen en periodieken naspeurde, markten en veilingen afstroopte en in antieke platenzaken snuffelde voor de zeldzame platen, krantenknipsels of andere overblijfselen van de zangcarrière van zijn vader. “Ondernemers in de muziekbranche hielpen mij op weg door hun contacten met andere verzamelaars. Soms kon ik wat kopen of ruilen. Het was net de begintijd van de plaatopnamen. Daarvoor moesten zangers van niveau naar Berlijn.” Inmiddels heeft hij toch een imposant archief op kunnen bouwen en heeft hij zo’n 30 van de vele 78 toeren-platen van het label His Master's Voice, Musola, Reneyphone, Columbia en Gramophone weten te achterhalen.

 

Het begin in Hengelo


image004Echtpaar Besselink-Hoekert

Jos. J. Besselink werd op 30 september 1894 in Hengelo geboren als jongste zoon van Johannes Hendrikus Besselink (1847-1925) en Anna Carolina Hoekert (1857-1927). In totaal kregen ze tien kinderen. Jos was de helft van een tweeling, maar zijn tweelingbroertje Henk stierf in het eerste jaar. Het ouderlijk huis stond aan de Spalstraat, waar zijn vader een café De Graafschap had (het pand tussen Leemreis en Egelantier).
Jos had acht broers en zussen. Broer Herman nam het café van zijn vader over. Toen tegenover het café het tramstation verrees, werd het ook stalling en in 1904 waaggebouw. Herman werd in 1905 aangesteld als waagmeester. In deze functie bleef hij tot 1961. Herman trouwde met Marie Wissink van de Olde Kaste.
Zus Grada Besselink trouwde met Peter Michels, die samen met Jan en Jo (een andere zus) Hollander met Hotel ’t Averenck begon. Het hotel telde 15 kamers, was ook restaurant met een grote keuken, gelagkamer en een prachtige serre. Ook hoorde er een kruidenierswinkel bij. Het echtpaar Hollander stapte er overigens snel uit.
De overige kinderen trokken Hengelo uit. Jos zijn vader was rond de eeuwwisseling ‘president’ (voorzitter) en later erelid van muziekvereniging Concordia.

image006
Jos ging naar de openbare lagere school aan de Ruurloseweg, een katholieke school was er nog niet. In zijn memoires schreef hij: “Geboren uit eenvoudige, brave ouders stond mijn wieg in het schoone dorpje Hengelo (Gelderland), bekend om zijn paardenmarkten. Een heerlijke afwisseling voor de schoolgaande jeugd van Hengelo, iets wat me steeds is bijgebleven.

image008                                                          Fam. Besselink ca. 1900.  Jos tussen zijn ouders.

De laatste jaren op de openbare lagere school konden we lessen nemen in de Fransche taal bij de hoofdonderwijzer Torlij, waar ik later veel plezier van heb gehad. Op school reeds moest ik met een zangeresje steeds de lied’ren voorzingen; een klein bewijs, dat stem en muzikaliteit zich in mij reeds vereenigd hadden.“
Een belangrijke jeugdvriend was Jan Tijdink, de latere wethouder, waarmee hij ook op een van de oudste Concordia-foto’s staat.

 

image010Concordia, vooraan liggend links Jos Besselink, rechts Jan Tijdink.


De ontdekking

Na de lagere school ging Jos twee jaar naar de Ambachtsschool in Doetinchem, omdat hij kerk-decorateur wilde worden. Hierna kwam hij bij een patroon in Winterswijk. Ook hier bleef hij twee jaar en vertrok naar Borculo. Na een jaar moest hij in dienst. Op 17 januari 1914 werd Jos ingelijfd bij de 2de Compagnie 1e Bataljon 18de Reg. Inf. Te Arnhem. Op 1 augustus van dat jaar brak de wereldoorlog uit en moesten alle dienstplichtigen gemobiliseerd blijven. In Arnhem woonde Jos bij familie. Daar ging hij graag naar toe, want een neef speelde piano, waarbij Jos zong, want zijn stem had zich tot een donker getimbreerde tenorgeluid gevormd. Met zijn neef ging hij mee naar het zangkoor van de H. Eusebiuskerk waar hij snel een gevierde zanger was. Hij ging mee met reizen langs de Rijn naar Duitsland, die hem werden aangeboden.
Hij leerde in Arnhem ook musici kennen. Een belangrijke was pianist Gerard Dekker, met wie hij veel oefende en later ook optrad bij concerten. In 1916 werd Jos lid van het Arnhems Mannenkoor, waar M. Brandts-Buys dirigent van was. De uitzonderlijk mooie stem viel onmiddellijk op. Brandts-Buys verzocht Jos de tenorsolo’s te willen zingen. Op het repertoire stond Te Deum van Verhulst. Het slaagde waarna hij een paar dagen later een brief ontving van de Nijmeegse zangpedagoog Ben de Bruyn uit Nijmegen. Daar zong Jos een Frans lied. De Bruyn was enthousiast over de stem en muzikale interpretatie en hem kwam de eer toe de stem direct op waarde te schatten en in de goede richting te leiden. Jos ging als sergeant twee maal per week naar Nijmegen om les te nemen. Hij vorderde snel, zodat hij al spoedig kleine concerten zong als solist, die ook wat geld in het laatje brachten, waar hij de reizen en lessen van kon betalen.
Jos kon zich een concert in 1917 in Silvolde (hotel Kaak) op een carnavalsavond goed herinneren. Daar zong ook ene dubbelkwartet o.l.v. Willem Knuvers, toen een bekend dirigent in Terborg. Voor 50 gulden zong Jos in gehuurd rokkostuum enkele liederen, die geweldig insloegen. In de pauze was het erg gezellig en de saucijsjes vonden gretig aftrek. Toen Knuvers weer wilde beginnen zei hij tegen het dubbelkwartet: “Zullen wi’j ‘m effe nemmen?”, waarop een van de heren gevat antwoordde: “Hoezo nemmen? De sauciezebreudjes bunt allemaol op!” De hervatting moest hierop enige minuten worden uitgesteld. Het contact met de Achterhoek was gemaakt en daar droeg men hem op handen. Jos zong weldra in Velp, Ellecom en Aalten met voornamelijk Hollandse liederen. Bij het Gemengde koor in Ellecom o.l.v. de blinde dirigent Nijenhuis. Zijn begeleider in die dagen was de bekende Arnhemse pianist Gerard Dekker.
In Arnhem was intussen bij de militairen Het Geniekoor opgericht. Bij het opvoeren van Velleda van Brambach kreeg Jos zijn eerste recensie van P. van Westrhenen die zijn stem en muzikaliteit roemde: “Hij is de gelukkige bezitter van een mooi helder en klankrijk orgaan dat hij reeds in menig opzicht goed beheerscht en dat bij voortgezette studie mooie verwachtingen rechtvaardigt.”
Met leerlingen van De Bruyn vormde Jos intussen een mannenkwartet en trad daarmee in veel plaatsen op.

  image012
In Arnhem bestond in die tijd een operettevereniging, waar Jos werd uitgenodigd om een paar hoofdrollen te vertolken in Musis Sacrum. De kritieken roemden zijn zang en niet in het minst de uitbeelding van de rollen. Jos zat intussen nog steeds in militaire dienst, maar kreeg veel gedaan van de overheid om de studies te volgen. In de kantine zong Jos ook dikwijls. Met veel collega-sergeanten en officieren had hij ook later nog contact. Er waren ook militaire muziekkorpsen, bij het 1e Bataljon werd Jos de commandant.
Later in 1918 werd het korps ontbonden. Jos werd hoofdfacteur bij de veldpost en hij zorgde voor de post van ‘onze jongens’.

Naar de top

In 1919 werd de opera van Amsterdam naar Den Haag overgeplaatst en kreeg de naam NV Nationale Opera. Iedereen die een betrekking kon krijgen mocht uit dienst. Ben de Bruyn zorgde toen voor een auditie, zodat Jos in zijn sergeants-uniform in de Hollandsche Schouwburg moest voorzingen. Hij werd daar ontvangen door de directie Willem van Korlaar jr., Albert van Raalte en Karel Bijleveld. Na 3,4 nummers kwam de directie op hem af en feliciteerde de 24-jarige Jos met zijn stem en ze zouden alles regelen met zijn leermeester. Bij terugkeer in de kazerne werd het succes gevierd en het contract werd afgesloten, zodat er een eind kwam aan zijn 5-jarige diensttijd.
In die zomer kreeg hij een uitnodiging voor een gastoptreden in het Kuhrhaus in Scheveningen. Onbewust van het belang van het concert liet Jos zijn hoge C zonder moeite horen. De kritieken waren veelbelovend. Pas de volgende dag bij een strandwandeling zag Jos in wat voor gebouw hij had opgetreden…
Daarna ging Jos naar Hengelo om afscheid te nemen van zijn ouders en familie om via Nijmegen naar Den Haag te vertrekken. De rest van de zomer moest hij veel studeren voor de opera Butterfly samen een andere tenor Jan Steinmetz, de vader van Thérèse. Vooral met baritonzanger Jan Lubbers kon hij goed opschieten. Ze vulden de pauzes met moppen, zodat ze de intriges van vervelende collega’s vergaten. De oudere zangers stonden er bv. Op de orkestrepetitie te willen zingen, zodat de jongere zangers geen kans kregen met orkest te zingen. Zo gebeurde het dat Jos zich voor zijn eerste opvoering nerveus maakte en mede door een verkoudheid moest afzeggen. Dit was een heel onprettige herinnering aan de directie van Korlaar, die hem een orkestrepetitie hadden moeten geven.
Op 30 september 1919, op zijn 25e verjaardag, maakte Jos zijn debuut in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag in Bastien et Bastienne van Mozart. De kritieken waren goed. Hij moest daarna op het kantoor van de directie komen en M. van Raalte, de algemeen muzikaal leider, vroeg hem veel rollen te leren, zodat hij in aanmerking kon komen voor grote rollen. Jos werd ‘speeltenor’ dat hem de grondslag gaf voor latere grote rollen en hij zong spoedig alle mogelijke karakter-rollen. Regisseur Pierre Versturme mocht hem graag en hij kreeg als Don José een rol in Carmen.

image014Jos Besselink als Don José in Carmen.

Tussendoor deed Jos. Besselink auditie bij de grote dirigent A.B.H. Verhey in Rotterdam. Weer met succes, want hij kreeg een aanbieding om in Den Haag bij Toonkunst te zingen. Jos zong de generale repetitie, maar moest voor de uitvoering afzeggen, zodat Louis van Tulder voor hem moest invallen. Later was het andersom en heeft hij meer dan eens bij Toonkunst onder Verhey gezongen. Hij werd een alom geliefde operazanger en had veel gastoptredens overal in het land. Na een optreden bij de RK Oratorium- Vereeniging in Den Haag schreef een recensie: “Wanneer de tenor Jos Besselink een Italiaan was geweest, men had de zaal afgebroken.” Hij was de lieveling van het Haagse publiek en ’s zomers zong hij in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam bij verschillende operettegezelschappen. Zo zong hij in Fidelio bij gelegenheid van het bezoek aan koningin Wilhelmina.

Met de opera ging het uitstekend; alle speeltenorpartijen werden grotendeels voor zijn rekening genomen, totdat op een zaterdagavond in Rotterdam Puccini's Butterfly op het affiche stond en alle tenoren ziek waren. Daarop vroeg de directeur of hij de hoofdrol van Pinkerton op zich wilde nemen: “Besje, als je ’t er vanavond goed afbrengt, krijg je iets extra’s”. Dit ging uitstekend, de directeur kwam zijn belofte na en voortaan zong Jos de hoofdrol.
Hij reisde nu het hele land door met deze opera: Utrecht, Groningen, Nijmegen, Breda, Amsterdam, Haarlem. Hij beschreef het als “zeer vermoeiend, maar we waren nog jong en konden wel tegen een douwtje.”


image016Jos Besselink als Pinkerton in Butterfly, 1921. 

Ook voor concerten werd Jos Besselink veel gevraagd. De programma's uit die dagen vermelden zijn naam tussen alle grote namen uit de tijd.
Hij vergat ook de Achterhoek niet en bezoeken aan het thuisfront werden gecombineerd met optredens. Jos was in die periode een goede vriend geworden van de bekende uitgevers uit Doetinchem C. en M.H. Misset. In 1921 gaf Jos enkele concerten samen met de Zutphense cellist Theo van Langen (zijn latere zwager) en Andries van Ingen, die huisarts in Hengelo G. was geweest en later naar Zelhem vertrok. Van Ingen was weer vergezeld van zijn zingende echtgenote.
Op 11 augustus van die zomer leidde hij de cantate van het koor bij het 25-jarig priesterfeest van de Hengelose pastoor Verheuvel en nam samen met Wim Groot Bruinderink de tenorpartijen voor zijn rekening.
In 1922 vertrok Jos naar Berlijn, waar hij bij kennissen intrek nam. Daar wilde hij zijn studie vervolmaken. Zijn aankomst beschreef hij: “Ik kwam aan het station Friedrichstrasse en ik stapte met twee zwaar beladen handkoffers ’s morgens om 6 uur Berlijn in. Nadat ik een kwartier had geloopen, kwam ik pas tot het besef dat ik niet eens wist waar ik heen liep, maar was ondertusschen Unter den Linden aan het marcheeren, totdat ik even uitrustende ontwaarde dat ik recht tegenover het Staatsoperagebouw zat. Het gebouw waar ik de mooiste opera’s mocht zien en de beste artisten de revue passeerden.”
Jos heeft daar Duitse opera’s gestudeerd en in verschillende theaters gezongen. Hij ontmoette er veel Hollandse vrienden, ook zangers die er om dezelfde reden verbleven. Bij een opera-dirigent in Charlottenburg studeerde hij zijn partijen in het Duits, zong er duetten voor de grammofoon (toen nog akoestische opnamen in een toeter) met de bariton Gerard Harmsen van de opera in Chemnitz en werd uitgenodigd voor een concert in Dantzig met Mahlers Lied van der Erde. In september 1923 werd Jos Besselink als eerste heldentenor geëngageerd aan het Stadttheater in Liegnitz.
Hij kwam daar met een impressario in aanraking en kreeg verschillende aanbiedingen. De devaluatie van de Duitse mark dwong hem terug te keren naar Nederland.

 

Glorietijden in Antwerpen

In 1922 kreeg Besselink een contract bij de Koninklijke Vlaamsche Opera in Antwerpen waar Jos zijn glorietijden beleefde. Een van zijn grootste successen was de rol van Don José in de opera Carmen. Hij had het voordeel dat hij niet alleen een goed zanger was, maar ook goed zijn toneelrollen speelde, iets wat bv. Louis van Tulder helemaal niet kon. Jos trad op met de allergrootsten uit de Benelux, speelde alle mogelijke rollen en kwam in alle belangrijke operagebouwen. De recensies waren juichend, hij was een van de beste tenoren van de Benelux.

image018De Vlaamse Opera in Antwerpen


Op papier zijn de kwaliteiten van de heldentenor moeilijk weer te geven. Een journalist vergeleek hem met Caruso: "Nooit in ons leven hebben wij een Italiaanser stem gehoord dan die van deze Nederlandse tenor, die zo verrassend veel weg had van het onvergetelijk timbre van de legendarische Caruso.
Laat ons proberen te vertellen hoe die stem van Jos Besselink op zijn auditorium werkte. We herinneren ons een concertavond welke hij opende met de aria Dieu que ma voix tremblante uit La Juive. Hij zette pianissimo in, biddend zou men kunnen zeggen, want deze aria is een gebed. Reeds tijdens het lang aangehouden eerste woord van Dieu hebben wij mensen naast ons zien verbleken van ontroering; reeds vanaf die eerste seconden waren zij als het ware ingesponnen door die gouden stem, die hen voor de rest
van de avond niet meer los zou laten. Men wist werkelijk niet wat de luisteraar aanvloeide, maar het was aards en hemels tegelijk. Zoals zijn beroemde Chant Indou uit de opera Sadko van Rimsky Korsakoff, waarmede hij zijn geliefde Antwerpenaren in verrukking heeft gebracht, zodanig dat dit lied zelfs wekenlang op iedere straathoek gehoord werd, omdat de draaiorgels het succesnummer hadden overgenomen.
Zo ook heeft hij het Zwanenlied uit Lohengrin gezongen in Arnhem op het St. Vincentiusconcert op een wijze waar men geen woorden voor heeft; de kritiek heeft hem toen letterlijk onder lof bedolven. Jos Besselink stond toen op het hoogtepunt van zijn roem."

Een van de rollen waarin hij schitterde was die van de astroloog in Le coq d'or, waarin hij stond met Jac. Urlus, Anton Dirks en mevrouw Poolman-Meissner. De directeur van de Grand Opera te Parijs kwam er speciaal voor om hem aan het werk te zien. Hij prees Besselink voor zijn uitermate sterke vocale kwaliteiten.
Besselink trad in deze tijd ook op in de Opera de la Monnaie in Brussel en als solist bij de Maastreechter Staar.

  image022

  image020

Bovenste foto: In 'Tristan en Isolde' speelde Jos Besselink mee. 
Jos Besselink als de astroloog in 'de Gouden Haan' de onderste foto 3e van rechts.

Jos woonde in hotels, in vakanties gaf hij concerten in de Achterhoek, soms weer met Van Langen en het echtpaar Van Ingen. Het zou teveel zijn om op te noemen waar en in welke werken Besselink heeft opgetreden. In totaal had hij ca. 60 opera- en operetterollen op zijn naam staan. Steeds roemden recensenten zowel zijn prachtige stem als zijn muzikale intelligentie. Ze waren eenstemmig in hun lof over zijn prestaties, waarvan letterlijk gezegd werd dat hij zich door zijn vlekkeloze voordracht op het eerste plan plaatste, zelfs naast Urlus, de allergrootste van die tijd.

In 1927 ging Jos naar de Nederlandsche Opera o.l.v. Nap de la Mar (1878-1930), de vader van de bekende Fien de la Mar. Voor ƒ800,- per maand zong hij twee maal per week in de Co-Opera-tie in Amsterdam. Ook zong hij in de Jansschouwburg in Haarlem met Johan Kaart sr.
Hij had de pech dat het geen gunstige periode voor operagezelschappen was. Ze konden moeilijk het hoofd boven water houden en sommige gingen failliet. Toch vrij plotseling kwam er een eind aan de zangcarrière van Jos. Besselink. Op 1 oktober 1927 zong hij voor het laatst in een operagezelschap in Haarlem.

Besselink terug naar de Achterhoek

Het waren zware economische jaren, ook voor de opera en zijn stem werd toch wat minder, hoewel zoon Wim verklaarde dat zijn vader bijna tot zijn dood de hoge C moeiteloos haalde. Maar voor de internationale top was het niet meer genoeg. Voor Jos was het geen probleem, hij begon met een andere voorliefde in de muziek, nl. het dirigeren. Dat had hem altijd al geboeid en hij had natuurlijk al de kunst afgekeken bij hele goede dirigenten. Hij begon daarmee in zijn geboorteplaats Hengelo om daar samen met zijn jeugdvriend Jan Tijdink de R.K. Zangvereniging Sancta Caecilia op te richten. Jos nam daartoe begin 1927 het initiatief. Tijdink was niet enthousiast, omdat een eerdere poging mislukte. Met Wim Groot Bruinderink, dirigent van het kerkzangkoor toog het drietal naar pastoor Verheuvel. Deze adviseerde het toch nog eens proberen. Hij deed vanaf de kansel een oproep en binnen een week meldde zich 80 leden. Na een test werd met 55 dames en heren gestart onder de naam Sancta Caecilia. Jos. Besselink werd als dirigent benoemd. Het eerste bestuur bestond uit voorzitter Jan Tijdink, penningmeester L. Geurts (hoofd r.k. school) en secretaresse Annie van Langen, onderwijzeres aan de r.k. school.
Een jaar later werd in Hoog-Keppel ook een zangvereniging opgericht. Ook van ‘Olden- Keppel’ werd Jos. Besselink tot directeur benoemd tegen een honorarium van vijf gulden per repetitie en tien gulden per uitvoering. Hij zou dit 25 jaar blijven doen. Onder Besselink behaalden beide koren veel successen. Bij concoursen werden veel 1e plaatsen weggesleept.

Annie van Langen
In deze tijd kwam de liefde in beeld. In Hengelo kwam hij Annie van Langen tegen en tussen hen bloeide een romance op, zodat ze in 1930 met elkaar trouwden.

image024Het gezin Van Langen. 

Annie van Langen werd op 4 april 1901 aan de Deventerweg in Zutphen geboren, als dochter van Willem (1873-1949) en Maria (1878-1959) van Langen. Ze had één broer: Theo (1903-1957), inderdaad de cellist waar Jos in de jaren twintig veel concerten mee gaf. De familie Van Langen was ook zeer muzikaal, vooral aan vaders kant. Zij speelde allerlei instrumenten, vader de fagot in het Zutphens Symphonie Orkest, waar Theo later dirigent van werd. In 1920 werd Annie aangesteld als onderwijzeres (met akte vak K)aan de katholieke school in Hengelo, die sinds 1914 bestond. Annie gaf ook muzieklessen (piano). Ze logeerde tijdelijk bij de familie Michels in hotel ’t Averenck (tegenover het ouderlijk huis van Jos).

  image026


Ze gaven hun bruiloft in september 1930 in “De Laatste Stuiver” in Warnsveld. Hierna stopte Annie als onderwijzeres, want ze gingen in Arnhem wonen. Na een jaar verhuisden ze naar Dieren, waar ze ook bleven wonen (op twee adressen). Ze kregen in zeven jaar acht kinderen, waarvan twee tweelingen: Hans, Amy, Mya, Wim en Jos, Cecilia, Theo en Hanny. Al deze kinderen werden gezegend met muzikale gaven, daarover later.

image028Het gezin Jos Besselink in 1942. 

Besselink als dirigent

Jos Besselink deed na zijn huwelijk vooral in de Achterhoek van zich spreken. Met Olden- Keppel werden in de jaren dertig en in de oorlogsjaren openlucht-operettes gespeeld, die op de Ulenpas duizenden bezoekers trokken. Bekend was bv. de operette Cauber Elsje en Marion de Marketentster. Zijn rijke ervaring in de theaterwereld kwam hem hierbij goed van pas. Hij leidde niet alleen de solisten, koor en orkest, maar verzorgde ook de grime en de regie. Een enkele maal liet hij zich nog horen en dan verbaasde hij zijn toehoorders met het gemak waarmee hij een hoge C tevoorschijn toverde. Wanneer een operette of uitvoering van Olden-Keppel op het programma stond, was Keppel en omstreken wekenlang in de ban hiervan.
Tientallen jaren was hij koor-, harmonie- en fanfaredirigent van de Dierense Harmonie en het Koninklijk Doesborghs Mannenkoor. Met beiden haalde hij zeer aansprekende resultaten. De uitvoeringen onder zijn leiding kenmerkten zich steeds door een uiterst correct optreden van de betrokken verenigingen. Grote discipline tijdens het zingen, in de pauze werd niet gedronken, de leden kwamen netjes het podium opmarcheren. Op kooravonden liet hij het ensemble op de voorgrond treden; zelf zong hij alleen nog op verzoek.
Vanaf 1936 was Jos 23 jaar lang dirigent van het Doesborghs Mannenkoor. Toen hij begon nam hij genoegen met een heel bescheiden vergoeding, omdat er geen cent in kas was en het koor maar enkele leden telde. Onder Besselink vierde het koor grote triomfen en behaalde vele prijzen. Het hoogtepunt was het concours in Enschede in 1939 waar het 7 van de 10 ereprijzen won. Hiervoor werd het mannenkoor in Doesburg uitgebreid gehuldigd.
In de oorlogstijd zong hij op bijeenkomsten van de ondergrondse om de vergaderingen te camoufleren. Toen de Duitsers eens een inval deden, konden ze niets vinden en om toch maar iets te doen namen ze als buit de muziek mee uit de opera La Juive van Halevy (een joodse componist) en van een lied van Rimsky Korsakoff, dat Besselink daar net had gezongen.


image030Jos Besselink als dirigent.

In 1944 volgde hij bij het Dierense Harmonie Corps zijn vriend H. van Voorst uit Apeldoorn op, nadat deze in het Huis van Bewaring in Arnhem was gestorven. Na de
oorlog werd de draad met het Doesborghs Mannenkoor en Dierense Harmonie snel weer opgepakt. Met het Dierense Harmoniecorps won hij zelfs het vaandel met zes wimpels. Overigens werkte Jos overdag als directeur van de Zutphense wijnimportzaak Ketjen & Cavadino (opgericht in 1828). Hiervoor reisde hij ook het hele land af en zijn vele contacten en bekendheid waren hierbij een groot voordeel! In deze zaak had hij zijn schoonvader Van Langen opgevolgd. Hiervan bestaat nog een prachtig adresboek met alle ‘Clientèle’, handgeschreven.
In 1959 nam Jos Besselink afscheid van de muziekwereld. Hij had meerdere hoge onderscheidingen en erelidmaatschappen gekregen voor zijn werk. In 1964 ontving Besselink vanwege zijn grote verdiensten de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice. Jos Besselink overleed op 80-jarige leeftijd in 1975, zijn echtgenote Annie in 1985.

Talentvol nageslacht

In zijn acht kinderen leeft de muzikaliteit van Jos en Annie voort. Annie voedde de kinderen met muziek op. Ze goot het bijna letterlijk met de paplepel in, er stonden meerdere piano’s in huis. Piano en viool spelen, noten leren, mee naar concoursen. Op zondagmiddag luisteren naar opera’s op de Belgische radiozender.
Op Wim na kwamen alle kinderen in Limburg terecht. Van de resultaten heeft vooral Maastricht kunnen profiteren, waar vier Besselinks docenten waren aan het Conservatorium.

image032Alle acht broers en zussen in 2004.


- Hans (1931) viel als jongen al op als begaafd pianist op de concerten van het Doesborghs Mannenkoor. Hij was dirigent in Doesburg en Steenderen (Sanclust) en organist in Dieren. Na zijn rechtenstudie volgde hij via zus Mya in twee jaar een opleiding aan het Conservatorium in Maastricht. Hij bleek een briljante leerling, waardoor hij direct leraar werd en vervolgens 10 jaar adjunct-directeur en 10 jaar directeur. Tegen zijn 60e jaar kreeg hij eervol ontslag, waarna hij zich verdienstelijk maakte als componist. In 1992 werd hij benoemd tot bisschoppelijk inspecteur van de opleiding tot kerkmusicus.

- Amy (1932) was onderwijzeres. Ze zat op het Brabants Conservatorium en maakte als Annemarie Oolders deel uit van het NCRV-Vocaal Ensemble en het Groot Omroepkoor, maar ook solistisch in oratoriums, cantates en passionen, voornamelijk in het westen van het land. Ze was een begaafde zangeres met een fraaie alt en speelde uitstekend piano.

- Mya (1934) schopte het verste in muziekland. Ze was lyrisch sopraan, maar maakte vooral furore als lerares en begeleider van begaafde operatalenten. Ze genoot een zang-en operaopleiding aan de Academie en vervolgens aan het Conservatorium van Maastricht. Ze maakte haar debuut als operasopraan aan het Stadstheater van Aachen, een fameus starttheater waar ook dirigent Herbert von Karajan zijn carrière begon. Daar heeft ze partijen vertolkt met grote zangers als Rudolf Schock, Walter Berry en Helga Dernosch. Tegelijk volgde ze een vervolmakingscursus bij Jeanine Micheau in Parijs en bij Luigi Ricci in Rome. Vier jaar later kon ze de overstap naar Stuttgart maken.
Na meer dan 10 jaar als opera- en concertzangeres sloeg het noodlot toe: een motorgrasmaaier sloeg met zijn messen door haar tenen, waardoor ze jarenlang gehinderd was in haar beweeglijkheid op de bühne.
Mya Besselink besloot haar beste krachten aan de zangpedagogie te wijden en velen in de muziekwereld zijn haar inmiddels zeer dankbaar voor deze keuze. Ze was verbonden aan het Conservatorium van Maastricht en was gastprofessor aan de Musikhochschule. Als pedagoge geniet ze wereldwijde faam. Haar leerlingen werden in wedstrijden vaak bekroond en kennen een mooie carrière als kunstenaar. Mya Besselink is dikwijls een zeer gewaardeerd jurylid als jurylid bij examens, wedstrijden en concours, zoals het beste concours van de wereld het Koningin Elisabeth-concours voor de Belgische tv, het Vocalistenconcours in Den Bosch en de Music Award Maastricht. Daarnaast was ze jaren lid van verschillende adviescomités aangaande Kunst en Cultuur in Nederland.

image034Mya Besselink tussen Willem-Alexander en Maxima bij hun bezoek aan het Conservatorium in Maastricht op 22 oktober 2001. 

- Wim (1935) leerde piano spelen en noten lezen van moeder. Hij mocht mee op concoursen o.l.v. zijn vader. Hij kreeg een baantje bij Philips, waar hij een goede leerschool had door fagot te spelen in het Philips Harmonie Orkest. Via Nico van Wieringen kwam hij in het Symphonie-Orkest.
Daarna ging hij medicijnen studeren en speelde in het studentenorkest (ook viool).
Ook als huisarts in Doesburg bleef hij muziek spelen als eerste fagottist in het Oost- Gelders Symfonie-Orkest. Met collega Van de Velde regelde hij dat ze diensten van elkaar overnamen (behalve de bevallingen), wat toen nog bijzonder was. Bij optredens nam hij de verlostas mee.

- Jos jr., de tweelingbroer van Wim, werd beroepsmusicus, eerst in Arnhem. Na zijn opleiding aan het Conservatorium in Utrecht begon hij op 21-jarige leeftijd als jonge organist. Zijn muzikale kwaliteiten leidden uiteindelijk in 1970 tot zijn benoeming tot hoofdvakdocent aan het Maastrichtse conservatorium. Tal van studenten leidde hij op tot koordirigent, een beroep dat hij zelf ook bijna 50 jaar uitoefent. Hij was dirigent van diverse koren, volgde zijn vader op als dirigent van het Doesborghs mannenkoor. In Limburg dirigeerde hij het Sittards Mannenkoor. Voor kerkdiensten schreef hij complete concerten. Net als zijn avder kreeg hij een pauselijke onderscheiding.

- Cecilia (1937) was mezzo-sopraan met een bijzondere natuurstem en zat op het Utrechtse Conservatorium. Ze speelde ook piano met Harry Pierik. Haar zoon Stefan van de Hagen is chirurg en tevens een voortreffelijk concertpianist.

- Theo (1937) was wel muzikaal, maar op ander gebied: hij speelde gitaar en moest van moeder naar boven om dat instrument te bespelen. Hij was meer technisch aangelegd en werd stedebouwkundige.

- Hanny (1939) zorgde lang voor vader en moeder. Ze werd kleuterjuffrouw en gaf vioolles in Hengelo. Tevens speelde piano en zong met een mooie sopraanstem in het kerkkoor.

Zo leeft het muzikaal talent, dat zo opvallend gestalte kreeg in de carrière van Jos Besselink sr., voort in zijn nageslacht.

En mogen we concluderen dat een gewone jongen uit Hengelo erin slaagde een fantastische internationale carrière op te bouwen, hetgeen maar weinigen lukte. Moge dit verhaal een eerbetoon zijn aan deze zanger en dirigent, zodat ook de jongere generaties hiervan op de hoogte zijn. Misschien kunnen we zijn naam laten voortleven door een straat naar Jos. Besselink te vernoemen!


image036Tot slot nog een foto van Old-Hengel: De hele familie Besselink bij elkaar op de bruiloft van Herman Besselink met Marie Wissink van Olde Kaste in 1926 voor hun café De Waag aan de Spalstraat. Jos Besselink in de deuropening.

 

©W.J.M. Hermans 2005

Dit verhaal is reeds eerder verschenen op de website: www.oldhengel.nl

Kroniek van de Tram

Hierin staan opgenomen enige bijzondere voorvallen, grepen uit kranten en jaarverslagen. De onderneming floreerde in de eerste levensjaren behoorlijk door het toenemende vervoer van goederen, hoofdzakelijk voederartikelen, kunstmest, brandstoffen en bouwmaterialen. In de jaren tot de Eerste Wereldoorlog kon over de meeste jaren een gering dividend uitgekeerd worden.

1904

In het eerste jaar waren de totale ontvangsten ƒ23.807,28, tegen kosten van ƒ19.746,46. Een bedrag van ƒ4400 moest naar het Vernieuwingsfonds Wegen + Werken en ƒ1218,70 in het Vernieuwingsfonds Rollend Materieel. Bij elkaar gaf dat een verlies van ƒ2482,07. Maar door de rentegarantie van de gemeenten kon toch geld op de rekening geschreven worden. De tram had 84.368 reizigers vervoerd, zo’n 230 per dag en 40 per tram.

11 januari – De conducteur Starink bekwam Zaterdag op het stationsemplacement van de stoomtram bij het aankoppelen van een wagen aan de locomotief, zoodanig letsel aan de arm, dat de hulp van de geneesheer moest worden ingeroepen.

19 januari – Het eerste ongeval met de tram! De scholier Riethorst heeft zijn onvoorzichtigheid moeten bekoopen. Dinsdagavond reed hij met de laatste tram van Zutphen naar Hengelo. Daar zijn woning even voor het eindstation te Hengelo is gelegen, sprong hij ter hoogte van zijn woning uit de nog in volle gang zijnde tram om niet meer terug te moeten loopen. Hij kwam echter te vallen en geraakte met zijn rechtervoet onder de raderen van den colliwagen, zoodat zijn voet verbrijzeld werd en vermoedelijk zal moeten worden geamputeerd. Den volgenden dag is hij ter verpleging naar het ziekenhuis te Arnhem vervoerd.
In het eerste jaar werd de tram door zes personen benut om de HBS in Zutphen te bezoeken. De namen zijn bewaard gebleven: mej. H. Jacobs en de heren G. Ruesink, H. Riethorst (die van het ongeval), A. Kremer, H. Alberti (zoon notaris) en J.G. Meinders (zoon huisarts).

1905

9 november - Heden namiddag heeft met de tram, die 12.50 uur uit Hengelo vertrekt, even buiten het dorp bij den zgn. Heisterboom een ongeluk plaats gehad. Op den weg bevond zich A.J. Oortgiesen met een kar, waarvoor een hit gespannen was, terwijl er nog een hit naast liep. Bij het naderen van de tram werden de dieren schichtig, en, een botsing ziende aankomen, trachtte Oortgiesen zich te redden door van de kar te springen. Door een onverklaarbaar misverstand sprong hij er aan den verkeerden kant af, zoodat hij vlak voor den locomotief terecht kwam. Hoewel de machinist onmiddellijk met alle kracht remde, kon niet voorkomen worden, dat de ongelukkige door de locomotief zwaar gewond werd. Hij is ter verpleging naar zijn woning overgebracht. De kar werd gedeeltelijk vernield. De beide hitten bekwamen, wonderlijk genoeg, geen letsel. Ook een paar biggen in een mand op de kar bleven ongedeerd.

1906

23 januari - Burgemeester Meyjes herinnerde de directeur van de TMDG aan de volgende bepaling: Alle trams, onverschillig van welke richting zij komen, moeten stoppen voor het begin van de boog, gelegen bij Hotel Langeler en niet weder in beweging gebracht mogen worden, dan nadat een trambeambte zich naar het hoekpunt heeft begeven, en na zich overtuigd te hebben, dat den boog veilig door den tram bereden kan worden, van daaruit door een geluidsein aan den machinist heeft bericht dat den tram kan opkomen.
Je ziet het voor je, de conducteur lopend voor de tram uit, blazend op een fluit...

6 augustus - Toen hedenochtend de Graafschapsche stoomtram van half twaalf uit Hengelo den Hengeloschen Enk bereikt had, reed een rijtuig met een paard, waarin 4 personen gezeten waren, haar tegemoet. Op een afstand van een meter of vier sprong plotseling het paard voor de tram. De machinist remde uit alle macht, maar kon een aanrijding niet voorkomen. Het paard kwam in botsing met de locomotief en werd zoo gewond, dat het afgemaakt moest worden. De voerman viel van de bok, maar kwam er met eenige schrammen en builen af; het rijtuigje kantelde en de 3 passagiers raakten er onder, maar zij bleken er toch met den schrik afgekomen te zijn.

Het ongeval liep dus nog vrij goed af, dankzij het flinke optreden van machinist Vrugtman. Door het harde remmen raakte het tweede tramrijtuig beschadigd en moest daar ter plaatse achterblijven.

In september waren er plannen om meer tramlijnen in de Graafschap aan te leggen, in aansluiting op de lijn Zutphen - Hengelo. Drie plannen waren onderwerp van discussie:

  1. Hengelo - Keijenborg - Velswijk - Zelhem - Halle Varsseveld of Lichtenvoorde
  2. Keppel - Velswijk - Zelhem - Varsseveld3. Hengelo - Zelhem of Witte Brink - Doetinchem.

De kosten bedroegen ƒ12.000 per km. De exploitatie zou in handen komen van de TMDG. Plan 3 lag het meest voor de hand, al was dit door de vele te onteigenen stukken grond het duurste. Ook was het gebied rond de Witte Brink moerassig. Dit dacht men te omzeilen door de lijn over Zelhem te laten lopen. C. Misset, raadslid en de belangrijkste zakenman van Doetinchem, zegde zijn medewerking toe.

Vanuit Zelhem was men wel tevreden over het plan:
Heeft onlangs het tramcomité zich ontbonden, omdat het geen medewerking vond in het plan de lijn Hengelo door te trekken op Varsseveld, thans tracht men steun te vinden voor het plan, om van Hengelo over Keijenborg en Velswijk naar Zelhem de lijn te leggen en vandaar over de Wassinkbrink naar Doetinchem. Verschillende vergaderingen zien we eerstdaags tegemoet.

1907

Er waren twee ongevallen (buiten Hengelo) te betreuren waarbij een kind om het leven kwam. In beide gevallen had de machinist geen schuld. De toename van het aantal reizigers kwam door de open zomerrijtuigen en de openstelling van de uitspanning Buitenzorg. Het batig saldo bedroeg ƒ6.645.

1908

Door een binnenbrand in het kantoor moest het opnieuw worden behangen en geverfd. Boven het smidsvuur in de werkplaats moest een schoorsteen komen. De rijtuigremise kreeg een ijzeren overkapping, zodat alle rijtuigen onder dak stonden.

Een vergadering over de tramlijn Hengelo - Doetinchem ging niet door. Daardoor trok de raad het renteloos voorschot van ƒ15.000 in.

Zes nieuwe goederenwagens werden in gebruik gesteld. Voor de aanleg van de straatweg van Hengelo naar Den Bremer (Toldijk) werden meer dan een miljoen stenen vervoerd, zodat de opbrengst van het goederenvervoer gunstig uitviel. Een goed jaar met ƒ7797 winst.

1909

De rijtuigen werden verlicht met gecomprimeerd acetyleengas. Plannen om de balkons glasdicht te maken bleken te duur. Het was een minder gunstig jaar. De ontvangsten werden lager en de uitgaven niet minder. Een belangrijke oorzaak was de opkomst van een ander vervoermiddel: het rijwiel!

1910

In de kom van Hengelo werden op verzoek van het bestuur van de Rijkstelegraaph enige telefoonpalen geplaatst. Een nieuwe, zwaardere locomotief werd aangeschaft. 

17 maart - Door vonken uit de locomotief van de tram was brand ontstaan bij bakker Demming. Deze kon gelukkig snel worden geblust, maar de TMDG moest wel maatregelen nemen. De hoek van de Spalstraat was geen gelukkige stopplaats. Immers bij het in beweging stellen van de tram moest in een bocht teveel kracht worden aangewend. Voortaan moest de tram maar na de bocht stoppen.

10 oktober - Per extra tram vertrokken hedenmorgen ca. 140 kinderen uit de hoogste klassen der beide dorpsscholen naar Zutphen. Vandaar gingen ze per trein naar Arnhem, waar een wandeling door de stad werd gemaakt. Doch ook een deel der schoone omstreken werd bezichtigd o.a. Sonsbeek. Hoewel de lucht ‘s morgens dreigde, bleef ‘t weer goed. Hoogst voldaan arriveerde het gezelschap met de tram van 7 uur weer hier. Aan hen die door hun bijdrage het bestuur der Wilhelminavereeniging in staat stelden, dit schoolreisje te ondernemen, een woord van dank.

1911

Het vervoer van reizigers gaf dit jaar wederom geen bevredigende uitkomsten. In de zomermaanden waren de ontvangsten, als gevolg van het aanhoudend buitengewone mooie weer wel hooger dan in de overeenkomstige maanden van het voorgaande jaar, doch in de overige maanden viel weder teruggang te constateeren, zoodat de opbrengst uit dit vervoer toch niet is vooruitgegaan. Dit is vnl. toe te schrijven aan het nog steeds toenemend verkeer per rijwiel, dat zich vooral bij den onderneming als de onze, waar de wegen zeer goed zijn en de afstanden niet groot, wel in het bijzonder doet gevoelen.

In de eerste helft van het jaar werden zeer veel goederen vervoerd en beloofde dat vervoer goede uitkomsten te zullen opleveren. De aanhoudende droogte en tengevolge daarvan den lagen rivierwaterstand, waardoor de scheepvaart zeer belemmerd werd, alsmede het heerschen van mond- en klauwzeer onder het vee in deze streek, waren oorzaak, dat die verwachtingen niet werden vervuld. Bovendien werd in 1911 minder verbouwd dan in andere jaren en was daardoor het vervoer van bouwmaterialen ook geringer. Het bedrijf was erg gevoelig voor invloeden of omstandigheden van buitenaf. Een slechte zomer kon al roet in het eten gooien. Verder was het een ‘ongelukkig’ jaar:

24 januari - Vorden. Van de tram die te kwart over elf van hier vertrekt, zijn door nog onbekende oorzaken bij Villa Nuova even voor de kom van ‘t dorp Vorden, de machine en het volgende rijtuig ontspoord. De machine sloeg daarbij om. Gelukkig zijn er geen persoonlijke ongelukken bij voorgevallen. De stoffelijke schade (een balkon is o.a. ingedrukt is echter aanzienlijk. De tram die hier anders om half een aankomt en die welke om half twee van hier vertrekt, zijn ten gevolge van ‘t ongeluk uitgevallen. De tram van half drie kon doorrijden. Men is dadelijk druk aan ‘t werk gegaan om de machine weer in het spoor te brengen. Daarmee hoopte men om zes uur klaar te zijn. De tram van kwart over vier zou thans tot aan de plek van het ongeluk rijden en van daar terugkomen zoodat de passagiers daar moeten overstappen.

3 juli - Toen hedenmiddag de tram van half vier van de remise tot voor ‘t station wilde rijden, derailleerde de nieuwe locomotief op de bocht. Ook een paar aangehaakte wagens geraakten buiten de rails. Het duurde geruimen tijd, voordat de baan weer vrij was, zoodat de dienst van

3.31 uur moest vervallen. De materieele schade is onbeduidend.

13 juli - Zutphen. De ontsporing van den stoomtram De Graafschap bij het Groot Graffel is gistermiddag vermoedelijk door kwaadwilligheid veroorzaakt. Omwonenden hebben vaak gezien dat kwajongens aan de wissel zaten te morrelen; men vermoedt dat dit gistermiddag ook ‘t geval is geweest en dat jongens den wissel gedeeltelijk hebben omgezet, althans de wissel sloot niet precies aan, waardoor de locomotief buiten de rails liep.
De passagiers stapten bij den wissel over zoodat ze maar een kwartier te laat in Zutphen kwamen, en een extra tram uit Hengelo bracht kort daarop de passagiers naar de andere richting. Om 7 uur was de weg weer vrij. De materieel schade is van geen betekenis. De politie heeft een onderzoek ingesteld.

1912

Het wagenpark werd uitgebreid met vier open goederenwagens, zodat het totaal op 22 kwam. Er was een toename van reizigers door de Landbouwtentoonstelling in Zutphen van 14 t/m 17 augustus. Daarvoor reden extra trams; de goedkope retourkaarten incl. toegangsbewijs (entree 10 cent) gingen grif van de hand. In augustus bijna 13.000 reizigers! Mede daardoor was dit het beste jaar in het bestaan van de TMDG. De opbrengst kwam boven de 30 mille: ƒ31.310.

1913

Er werd geconstateerd dat het stationsplein smerig was. Van de Velde vond dat het plein wekelijks schoongemaakt moest worden. De boog naar het emplacement in Hengelo werd vernieuwd.

Op 9 december stierf de voorzitter van de commissarissen B. Cuperus. B. Haitsma Mulier was zijn opvolger. Hij was civiel-ingenieur in Zutphen en schoonzoon van de Vordense burgervader Gallée.

1914

De oorlog had uiteraard grote gevolgen voor de tramlijn:

In de eerste zeven maanden nam het vervoer van goederen zeer toe. De mobilisatie bracht aan het vervoer een geweldigen slag en maakte een plotseling einde aan alle goede vooruitzichten. Het goederenvervoer herstelde zich wel gaandeweg, doch de ontvangsten uit het reizigersvervoer bleven ver beneden de laagste bedragen van het vorig jaar. Eenige vernieuwingen worden overgebracht ten laste van het vernieuwingsfonds. Daar er doorloopend gebrek aan goederenwagens heerschte, werden er 5 nieuwe dichte goederenwagens besteld; alle goederenwagens en locomotieven werden terdege nagezien, de ketels door het rijkstoezicht onderzocht, waardoor de post ‘onderhoud rollend materieel’ vrij hoog werd.

De schade viel eerst mee door een beperkte dienstregeling, zodat minder brandstof nodig was. Een nieuwe loonregeling schroefde de lonen omhoog. Dividend werd niet uitgekeerd.

De werkplaats werd te klein. Voor de smederij kwam er daarom een gebouwtje bij.

6 mei - De tram, welke hier 7 uur ‘s avonds aankomt, derailleerde even voor ‘t dorp, zoodat de machine met alle vier wielen in ‘t zand stond. Al het beschikbare personeel moest hulp verleenen om het gevaarte weer in ‘t spoor te krijgen. Het duurde geruimen tijd, eer zulks gelukte. De tram, die anders 7 uur 40 van hier gaat, kon daardoor pas om kwart na tienen vertrekken.

20 juli - Hedenavond, toen de tram van half 6 de Spalstraat binnen kwam, waren twee kinderen van den heer W. druk aan ‘t spelen op de rails, zonder zich van hun gevaarlijke positie bewust te zijn. De machinist wist echter op een paar Meter afstand van hen te stoppen, zoodat een ongeluk bijtijds werd voorkomen.

Een wisselspoor kwam er in de Raadhuisstraat naar het terrein van D.J. Harmsen op voorwaarde dat de rails niet boven de straat uit kwamen. De brandstoffenhandelaar moest voor dit recht maar liefst één gulden per jaar betalen.

1915

De TMDG had zwaar te lijden onder de economische gevolgen van de oorlog. Zowel het personen- als goederenvervoer stonden op een laag pitje, naast de grote problemen met brandstof. Een grote prijsstijging van materialen en verbruiksartikelen maakte het nog moeilijker. Daarnaast liep ook de kwaliteit van het materieel en personeel terug. Door onvoldoende personeel (mobilisatie) en veel zieken kwam er achterstallig onderhoud en moesten locomotieven gehuurd worden. De dienstregeling liep slecht. Op 5 maart werden er vragen over gesteld in de raad. Tenslotte subsidieerde Hengelo genoeg om te verlangen dat er een goede regeling was. Maar het werd nog erger, een jaar met wederom veel pech, ongelukken en ongemakken, mede door het slechte materieel.

19 maart - Een kwartiertje loopens van ‘t dorp derailleerde hedenavond de tram, welke hier 5.37 uur moet aankomen. Met drukken arbeid van al het beschikbare personeel kreeg men de baan in een goed uur weer vrij, zodat de tram die 6.20 uur naar Zutphen vertrekt, pas half 8 gaan kon.


Tram bij Tramstation Hengelo

Het tramstation naast de RK school.
Foto: W. Luimes.

26 maart - Vorden. Van den laatsten tram naar Hengelo ontspoorde heden avond hier voor ‘t gemeentehuis de achterste, zijnde een goederenwagen. Hij viel omver en was eerst met wat moeite en tijdverlies weer overeind en op de rails te werken. Iets voor tienen kon hij de reis vervolgen.
4 april
- De trams kregen onderweg steeds vaker moeilijkheden. Ze ontspoorden nogal eens. Soms lag de oorzaak echter op een heel ander vlak, zoals op deze rampzalige dag:

Vorden. Gisteravond ontspoorde weer een tram, nu op de ‘Deldenschen wissel’ voor het huis van den familie Sigger. De ravage is enorm. Werklieden zwoegden de hele nacht door. Een goederenwagen ligt nog omver op de grintweg. Een personenwagen staat vanmorgen weer overeind met gebroken ruiten en is ook voor ‘t overige erg gehavend. Andere rijtuigen staan helemaal buiten de baan; ook de rails zijn beschadigd. ‘t Lawaai bij de ontsporing werd zelfs in ‘t dorp gehoord. De eerste tram op Zutphen liep vanmorgen niet, de tweede passeerde eerst tegen half negen over de rijbaan op dit punt, die men weer vrij had gekregen. Waarschijnlijk is de oorzaak aan kwaadwilligheid toe te schrijven: de wissel die altijd gesloten is, stond nu halverwege open en de pin welke dient om te beletten dat onbevoegden van den wissel gebruik maken, lag er naast, terwijl het slot van de wissel verdwenen was. Een justitieel onderzoek zal worden ingesteld.

28 april - Bij het rangeeren hedenmorgen op den voor eenigen tijd nieuw gelegden tramwissel in de dorpsstraat ontspoorden een 3-tal goederenwagens. Eén, geladen met vee, viel geheel op zij; de koeien konden echter, zonder letsel bekomen te hebben, gemakkelijk bevrijd worden. Een ledige wagen liep nog al eenige averij op.

28 juli - Gisteren maakten de leden der Jongeliedenvereeniging benevens de leerlingen der beide hoogste klassen van de Bijzondere school onder geleide van het onderwijzend personeel een uitstapje naar Den Haag en Scheveningen. Een extra tram bracht hen ‘s morgens aan den eersten trein te Vorden en vandaar ging de reis over Apeldoorn en Utrecht naar het Haagje. Dat bij aankomst eerst voor den inwendigen mensch werd gezorgd, spreekt wel van zelf. Daarna werden verschillende bezienswaardigheden en merkwaardige gebouwen o.a. Gevangenpoort enz. bezichtigd. Maar het leukste van de reis was wel het tochtje per electrische tram naar Scheveningen, waar ze de zee gingen zien, de groote ze, waar ze op school zoo vaak van gehoord en gelezen hadden.

En ze hebben daar genoten de jongens en meisjes. Alleen maar jammer, dat zoo’n dag zoo gauw voorbij is. Er moest op gerekend worden, dat ze met de laatste tram weer in Hengelo konden zijn. Doodmoe, maar hoogst voldaan keerde het gezelschap, dan ook tegen elf uur ‘s avonds terug.
Zo eenvoudig verliep de terugreis niet. Dat blijkt uit de ingezonden brief van een meneer X in de Zutphense Courant van die dag. Lees daarvoor het hoofdstuk ‘1915’.

29 oktober - Met de tram was het vandaag weer sukkelen. Die welke om half 3 aankomt kon het dorp niet in en de half 4 vertrekkende ging een half uur te laat op weg, maar kwam even buiten het dorp al tot staan en wilde niet verder. Achteruit ging het wel, zodat het weer naar huis toe ging. Daardoor kwam er ook ‘s avonds geen tram uit Zutphen.

De nieuwe werkmeester Peter Wilten bracht verbetering in de rampzalige toestand. Jacob Meijers schreef hierover in 1923:

De werkplaats, die aanvankelijk goed werd bestuurd, kwam na vertrek van twee werkmeesters achtereen onder minder goede leiding, zoo zelfs, dat omstreeks 1915 een groot deel van het rollend materiaal bijna onbruikbaar was. Een absoluut einde maken aan dezen chaotischen toestand was geboden, om de maatschappij voor algeheelen ondergang te behoeden. Dat men hierin volkomen geslaagd is, bewijst de hedendaagsche toestand. Den 30 Augustus 1915 werd tot werkmeester benoemd de heer P. Wilten, destijds werkzaam aan de Z.E. te Doetinchem. Genoemde had tot taak het geheele bedrijf uit ‘t moeras te halen. Hierin is hij, ondanks veel hoofdbrekens meesterlijk geslaagd.

Dat kon Meijers wel schrijven, maar het voortbestaan hing ook in de jaren erna aan een zijden draadje.

1916

Ondanks de wereldbrand voor het eerst meer dan 100.000 reizigers: 102.405.

13 januari - Dezer dagen waren we in de gelegenheid een meesterstukje van huisvlijt te bewonderen. De beide geïnterneerde Belgen, Jozef Denuit en Thomas Dupont, die hier in de werkplaats der Graafschapsche tram te werk zijn gesteld, stellen voor ieder, een miniatuur stoomcaroussel te bezichtigen van nagenoeg 1 Meter middellijn. Tot in de kleinste bijzonderheden is alles volmaakt: het orgel speelt, de paarden galopperen, een juffrouw aan de kassa ontbreekt zelfs niet. Ook het schilderwerk verraadt een kunstvaardigheid, die zou doen vermoeden, dat het door eerste klas vakmenschen was vervaardigd. Het is de moeite waard te gaan kijken.

De twee Belgen moesten toestemming vragen om zich af en toe buiten de gemeente begeven. Denuit wilde zijn gezin (vrouw en 5 kinderen) over laten komen uit Nivelles. Daarvoor ging een brief naar de commandant van het Internerings-Depot te Harderwijk. In september verzochten ze eens per week naar Zutphen te mogen, om inkopen te kunnen doen. Zaterdags leek het meest geschikt.

De winter was zacht en nat geweest, maar op 23 februari was er hevige sneeuwval. Als gevolg daarvan staakte de tram de dienst.

Op 1 augustus een ongeluk op het tramemplacement. Molenaar B.J. Harmsen raakte bij het rangeren met zijn rechter dijbeen bekneld tussen de buffers bij rangeren. Zijn been was gebroken.

11 november - Baldadige jongelui hadden heden een blok op de tramrails gelegd. De machine der eerstvolgende tram derailleerde daardoor en moest door opvijzelen weer in ‘t spoor gebracht worden. Gelukkig liep het zonder ongelukken af. De kwajongens mogen wel eens zeer ernstig op het roekelooze van hun daad worden gewezen.

Reijnst schreef een brief aan President Commissaris van de TMDG te Zutphen. Hij was diep gekwetst over het ongemak dat hem persoonlijk was overkomen en daar moest snel iets aan gedaan worden.

Op zaterdag 18 nov. waren de reizigers, die uit de richting Amsterdam kwamen en met de laatste avondtram naar Hengelo wilden terugkeren, onaangenaam verrast door het feit, dat deze tram niet gewacht had tot dat de treinen in aansluiting waarop gereden wordt, binnenkwamen. Dientengevolge was men verplicht te Zutphen te overnachten onder wie onze Voorzitter.

Weliswaar was de trein ongeveer een uur te laat, doch na informatie bleek ons, dat het vertrek der laatste tram i.v.m. het te laat komen van treinen, voor deze gemeente niet voldoende geregeld schijnt. Aangezien deze gemeente voor interlocaal verkeer geheel op de TMDG is aangewezen, zoo zouden wij U met beleefde aandrang willen verzoeken deze zaak tot eene voor deze gemeente bevredigende oplossing te willen brengen.

Het behoort natuurlijk tot de zeldzaamheden, dat vertragingen van meer dan 1 uur in de treinenloop voorkomen, doch als maximumgrens van wachten zoude o.i. kunnen worden bepaald, dat bedoelde tram voor het middernachtelijk uur te Hengelo moet aankomen. Tevens zoude door Uwe Directeur bepaald kunnen worden, dat indien meer dan een half uur vertraging zou ontstaan, de reiziger, die van den laatste tram gebruik wenscht te maken, verplicht is daarvan telegrafisch mededeling aan de stationschef te Zutphen. Van een en ander zou dan door Uwe Directeur door aanplakking in de tramwagens aan het publiek mededeeling kunnen worden gedaan.

De betrokken voorzitter was uiteraard de burgervader himself.

De machinist A. Verhoeven maakte in december een lelijke val in de kelders van de tramremise. Hij liep ernstig lichamelijk letsel op, zodat hij naar het ziekenhuis in Zutphen moest worden vervoerd.

1917

Van locomotief 5 waren de banden versleten. Het lukte haast niet om nieuwe te krijgen, zodat deze stil stond. Door het vele onderhoud namen de uitgaven toe. Wegens het gebrek aan petroleum was er niet voldoende voor de tramverlichting. Voor de werkplaats werden carbidlampen overwogen, maar dat gaf een groot brandgevaar. Reden waarom een dynamo gekocht werd, zodat er een electrische lichtinstallatie kwam. Het aantal reizigers daalde weer door een beperkte regeling. Vervoer van granen en bouwmaterialen nam af, van hout en veevoederartikelen nam toe. Voor het laatst waren de inkomsten in de exploitatie hoger dan de uitgaven. Geld voor het vernieuwingsfonds of dividend was er niet.

De TMDG vroeg in juli concessie aan voor de doortrekking van de lijn Zutphen - Hengelo naar Doetinchem over Keijenborg en Velswijk, in aansluiting op de G.S.M.

De zomer begon vroeg en hield lang aan. Tussen 5 en 14 juli bukte het land onder een hittegolf. De hitte moest men bekopen met forse regenbuien en hevig onweer. Met gevolgen:

Vorden. Door de hevige storm, waarmee de onweersbui hier hedenmorgen gepaard ging, raakte de trambaan aan den grintweg naar Hengelo door eenige omgewaaide peppels versperd, zoodat de volgende tram naar Hengelo eenige vertraging ondervond. Daar de tram hier juist de hoek om kwam en de versperring eerst op ‘t laatste oogenblik kon worden opgemerkt, is ‘t een wonder dat alles zoo goed is afgeloopen.

16 juli - Toen de tram, welke hier om half 6 binnenkomt, tot op een half uurtje nabij het dorp was, bemerkte de machinist een vrouw op de rails loopende. Ze was blootsvoets en bleek een verpleegde van ‘t Graffel te zijn, die voorgaf naar Zelhem te willen. De burgemeester dezer gemeente, die zich in de tram bevond, liet haar meenemen naar hier, vanwaar ze met de eerstvolgende tram weer werd opgezonden. Inmiddels waren ook reeds een paar verpleegsters per fiets naar hier gekomen, om haar terug te halen.

1918

De prijzen stegen naar exorbitante hoogten. Waren de brandstoffen in 1917 al gestegen naar ƒ20 à ƒ24 per 1000 kg, in 1918 steeg dit naar ƒ53,50 à ƒ58,50. Dit werd gecompenseerd door een 100% tariefsverhoging. Na het slechte jaar 1917 waren de tekorten in 1918 zodanig, dat het bestuur overwoog, mede door de hoge schrootprijzen, de exploitatie te staken. Op 5 augustus 1918 besloot de raad van commissarissen voorbereidende stappen te nemen tot liquidatie van de vennootschap. Het leidde tot felle oppositie in de streek. Financiële steun van de overheid zorgde voor behoud van de lijn.

16 maart - Tram Zutphen - Hengelo – Varsseveld
Wij vernemen, dat commissarissen der tramwegmaatschappij De Graafschap hebben afgezien van de voorgenomen verlenging van het traject Zutphen - Hengelo naar Doetinchem, doch thans concessie hebben aangevraagd voor doortrekking harer lijn via Zelhem - Halle - Varsseveld. Uitvoering van dit plan, hetwelk zeer in het belang der betrokken streek en van de tramwegmaatschappij zal zijn, is in voorbereiding. Ook de belangen der gemeenten Zutphen, Warnsveld en Vorden, aan de bestaande lijn gelegen, zullen bij de totstandkoming der nieuwe verbinding zeer worden bevorderd.

De TMDG hield vergadering voor de aandeelhouders:

- Voorzitter Haitsma Mulier deelde het een en andermede over de pogingen tot uitbreiding van de lijn. Hij dacht dat als de gemeenteraden steun zouden geven, provincie en rijk zeker niet achter zouden blijven.

- Een lid vroeg of er beter zichtbare biljetten bij de routes op de wagens konden komen. Veel mensen stapten verkeerd in. De voorzitter had een origineel antwoord: “Dit was bij treinen ook altijd zo. Hoe duidelijker men iets maakt, hoe dommer het publiek blijft”! Dat moet een heldere geest zijn geweest, die Haitsma Mulier... In de raadsvergadering van 28 juni bleek dat de TMDG voor de doortrekking van de tramlijn naar Varsseveld ƒ22.000 vroeg als renteloos voorschot en ƒ10.000 lening à 4%. Jansen vond het veel geld, maar het was wel in het belang van de gemeente. Reijnst vond dat de belangen van Hengelo in het intercommunale verkeer tot dan toe slecht werden behartigd. De aansluiting op treinen was zeer slecht. Voor dat geld wilde hij als voorwaarde stellen, dat er dan meer Hengeloërs in de raad van commissarissen vertegenwoordigd moesten worden.

Slechts enkele maanden later stond liquidatie van de lijn op de agenda:

13 augustus - Naar aanleiding van de plannen van commissarissen der Graafschapsche tram om over te gaan tot liquidatie, vergaderden hedenavond in ‘t hotel Langeler de besturen van de Handelsvereeniging, de Landbouwafdeeling, de Boterfabriek, de Marktvereeniging en de Boerenbond. Meinders, die de vergadering leidde, wees op het groote belang voor de gemeente bij het behoud van de lijn, al was het ten koste van financiële offers en hij vreesde, dat er bij de aandeelhouders gemakkelijk een meerderheid zou te vinden zijn voor het voorstel tot liquidatie, nu daarvoor de thans de omstandigheden het gunstigst zijn. Vanuit de vergadering werd er op gewezen, dat zoo de gemeenten bereid zijn meerdere geldelijken steun te verleenen, ook de provincie en het rijk bijdragen zullen verleenen. Verschillende middelen tot behoud van de tram werden overwogen en uitvoerig besproken. Ten slotte kwam men overeen een adres aan de Raad te richten, met het verzoek al het mogelijke in ‘t werk te stellen in overleg met de drie andere gemeenten tot ‘t behoud der tram. Ten einde dit adres toe te lichten bij den burgemeester werden aangewezen de heeren A. Meinders, G. Elzinga, B. Esselenbroek en G.J.Th. Dijkman.

De raadsvergadering van 5 november stond geheel in het teken van het voortbestaan van de tram. Het tekort van de TMDG bedroeg voor 1918 ƒ10.000 en in 1919 naar schatting ƒ15.000. Tweederde zou gedragen moeten worden door rijk en provincie, waardoor het voortbestaan weer een paar jaar verlengd was. Wel moesten de vier betrokken gemeenten het restant opvullen. Dat betekende voor Hengelo ƒ550 in 1918 en ƒ850 in 1919. Dit werd vlot aangenomen, net als in de andere gemeenten. Men vond opheffen van de lijn in strijd met de belangen van de gemeenten. Aan de Staat werd 50% gevraagd, aan de provincie 16⅔%. Zij dekten slechts 12½%, zodat niet het gehele verlies gedekt was.

In september reden nog maar drie treinen per dag. Er was gewoon niet meer brandstof. Hierdoor was ook minder personeel nodig. Acht beambten kregen ontslag met een uitkering van twee maanden loon.

TMDG had opdracht van de minister om ‘s nachts het sluitlicht van de treinen weg te laten.

6 november – De tram, die van hier om 6 uur vertrekt, ondervond hedenavond ruim een uur vertraging, doordat in de bocht bij hotel Langeler een der personenwagens kantelde. De inzittenden kwamen met den schrik vrij.

P.G. Gallée, commissaris en burgemeester van Vorden, overleed. W.C. Arriëns nam zijn plaats in voor beide functies.

1919

De ongunstige tijdsomstandigheden werkten nog harder door. De brandstoffenvoorziening verliep gunstiger, waardoor de dienstregeling weer uitgebreid werd. De personentram in Vorden reed niet meer terug naar hotel Ensink (later Bakker), maar aankomst en vertrek waren voortaan bij het gemeentehuis. De dienst verliep hierdoor geregelder; beter op tijd en korter.

Commissaris Baron van de Borch tot Verwolde stierf, voor hem kwam Van Löben Sels uit Arnhem.

Per 1 juli werd een nieuwe loonregeling van kracht, waardoor de uitgaven met ƒ7000 stegen. In de jaren 1918-1921 liep het nadelige saldo op tot ƒ25.645.

1920  en verder naar het einde

Na 1922 was er een korte opleving. Maar geleidelijk nam de concurrentie van vrachtauto’s en autobussen toe. De TMDG probeerde er wel in mee te gaan, maar in de crisisjaren dertig werd het steeds moeilijker het hoofd boven water te houden. Door bezuinigingen werd in 1933 met het reizigersvervoer per tram gestopt. Enkele jaren later stopte ook het transport van goederen. In 1939 nam de Geldersche Tramweg Maatschappij de maatschappij over, zoals het al meerdere kleine ondernemingen had opgeslokt onder druk van de regering. In 1954 volgde liquidatie van de TMDG. De laatste rails werden in 1950 verwijderd. Het enige overblijfsel is sindsdien de naam ‘Tramstraat’.

20e EEUW

Eerder gepubliceerd in het boek Daar midden in de Graafschap en op de website www.oldhengel.nl
Door W.J.M. Hermans in 2001

Herrie in de boterfabriek.


De boterfabriek stond aan de Zuivelweg hoek Spalstraat en is in 1989 afgebroken. Daarna werd een pand gebouwd voor VS Supermarkt. Toen deze de deuren sloot kwam er in dit pand in 2010 de Aldi. In 2019 werd het pand totaal vernieuwd.

De komst van de boterfabriek in 1901 was voor een dorp als Hengelo van groot belang. Het zorgde voor een economische impuls, maar het bracht ook grote veranderingen in de bedrijfsvoering van boeren teweeg. Bestudering van de geschiedenis van de boterfabriek levert genoeg bruikbaar materiaal op voor een apart hoofdstuk. Directeuren en besturen die opstapten, onderlinge ruzies, ontslagen, een oorlog en een botersmokkel zorgden ervoor dat de eerste 20 jaren onstuimig verliepen. Desondanks maakte de fabriek een flinke groei door, werd een aantal maal uitgebreid en de boter won diverse prijzen, zodat het al snel een niet meer weg te denken plaats in Hengelo innam.

 

Voorgeschiedenis

In de 19e eeuw maakten de boeren zelf boter en kaas. Veel stelde dat niet voor. De ene koe die ze bezaten produceerde amper 30 kg boter per jaar. De inkomsten kwamen meer uit de akkerbouw. Na 1850 ontdekten de boeren boter als bron van inkomsten. Dit steeg van een paar tientjes naar enkele honderden guldens per jaar. De boter was van matige kwaliteit, maar door de grote vraag raakten ze het wel kwijt. Controle was er niet, zodat op grote schaal werd geknoeid, ook in Hengelo. De boter werd met allerlei stoffen aangelengd en als Friese boter verkocht. De 'zoutboeren' stopten voor aflevering een bal zout in de boter hetgeen meer gewicht en geld opbracht. De Hengelose boterbereiders moesten naar de botermarkt in Zutphen. Rond 1850 gingen enige winkeliers op proef over tot de inkoop van boter. Dit was al een verbetering. Enige tijd later deed C. Langeler en 19 mede-ondertekenaars het verzoek aan het gemeentebestuur om een botermarkt in te voeren. Het duurde tot 1865 voor dat een feit werd. De verkoop was in de boterloods bij de Remigiuskerk.

Rond 1875 ontstonden margarinefabrieken, die een grote concurrent voor de melkveehouders waren. In Hengelo begonnen Gerard Poesse en Hendrik Wansink in 1878 aan de Banninkstraat zo’n fabriek, die in 1886 weer failliet ging. De snelle opkomst van de margarine had direct gevolgen voor de boterverkoop en vooral die van inferieure boter. Op zandgronden konden de boeren zich toeleggen op andere produkten, maar in Friesland met louter weidegronden had men deze mogelijkheden niet. Dit leidde in 1886 tot de oprichting van de eerste coöperatieve boterfabriek in Warga. Ontwikkelingen op technisch gebied speelde een belangrijke rol, met name door de uitvinding van de centrifugale ontroming van de melk in 1878. Hierdoor kon continu boter geproduceerd worden in grote hoeveelheden tegen lage kosten. Tevens kon het botervet van de melk worden gescheiden en steeg de boter spectaculair in kwaliteit. In Friesland waren het de grote boeren geweest die voor de oprichting van zuivelfabrieken zorgden, maar in Oost- en Zuid-Nederland waren weinig grote boeren. Toch kwamen deze fabrieken er, veelal op initiatief van plaatselijke notabelen en winkeliers. Heftige discussies gingen hier aan vooraf. De fabrieken zouden de ondergang van de boeren betekenen; ze raakten hun inkomen en zelfstandigheid kwijt en afhankelijk van de fabriek worden. Ze waren bang dat ziekten onder het vee zouden worden verspreid en dat de veefokkerij achteruit zou gaan. Maar ook tegenstanders gingen overstag toen ze de voordelen zagen. Karnen was een zwaar karwei voor de boerinnen, die nu hun handen vrij kregen voor andere taken. De kwaliteit van de boter steeg met sprongen, zodat de afzet sterk verbeterde.

De voorbereidingen

De noodzaak van een coöperatieve zuivelfabriek drong ook tot Hengelo door. Eerder werd een poging van Bernard Hilderink gestaakt om een roomboterfabriekje in Keijenborg draaiende te houden. De eerste stoot tot oprichting van een vereniging gaven notaris Koning, landbouwer Esselenbroek en winkelier Wansink. Vooral Koning, eerder al initiatiefnemer voor de tramlijn naar Zutphen, zette zich in om de vereniging en daarmee de boterfabriek van de grond te krijgen. De Zutphense Courant van 15 januari 1900: De resultaten van besprekingen over de oprichting eener coöperatieve roomboterfabriek in deze gemeente zijn van bevredigende aard. 't Scheen hedenavond op de vergadering van belangstellenden, dat allen overtuigd waren van 't groote belang, dat hier zulk eene inrichting tot stand komt. Na uitlegging van J.M. Koning, die de vergadering leidde, op welke wijze men aan 't noodige geld zou kunnen komen, nl. door eene leening aan te gaan, en de rest door middel van aandeelen te verkrijgen, werd men in de gelegenheid gesteld, tot lid der coöperatieve vereeniging toe te treden, met dit gevolg, dat 44 leden zich aanmeldden, samen de melk leverende van ca. 176 koeien.

Om aan geld te komen werden er bij particulieren 72 aandelen van ƒ200 geplaatst, totaal voor ƒ14.400. De laatste zes aandelen van ƒ200 konden aflosbaar worden gesteld op 1 maart 1910. Voor de leden van de fabriek waren er aandelen à ƒ25. Op de fabriek zelf stond een hypotheek van ƒ6000. De voorbereidingen gingen gestaag verder. Op 31 maart passeerde voor de notaris de akte van oprichting van de vereniging 'Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Hengelo' (CSH). Op 5 april vergaderde deze voor het eerst. De aanwezige deelnemers stemden er voor om met het bereikte aantal van 395 koeien (van 159 leveranciers) te beginnen. Het bestuur kocht een stuk grond voor ƒ1275 van Wansink en Klem op de Fokkingkamp aan de weg naar Hummelo. Na aanbesteding mocht H.J. Mulderije uit Wichmond de fabriek bouwen voor ƒ10.602, waarmee hij op 9 augustus begon. Op 13 oktober meldde De Graafschapbode: De werkzaamheden aan de stoomzuivelfabriek alhier vorderen goed. Het wordt een stevig gebouw met een aantal doelmatig ingerichte, luchtige vertrekken. Men is druk bezig met de bekapping. Ook het vierkante fundament van de schoorsteen is reeds tot de verlangde hoogte opgetrokken. De stoomketel uit de fabriek van Gebr. Stork en Co. te Hengelo Ov. kwam jl. donderdag aan. Het kostte niet weinig moeite om dit gevaarte dat 4000 kg weegt op de plaats zijner bestemming te brengen.

Op 31 oktober was de eerste algemene ledenvergadering bij Langeler. Het concept voor het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd. Tot het eerste bestuur werden gekozen: voorzitter A. Enzerink, secretaris-penningmeester T. Harmsen en de leden B. Esselenbroek, J. Elzebroek, J. Heerink, G. Hiddink, A. Hoebink en Th. Meijer. De eerste directeur was de pas 25-jarige Balthasar Charisius uit Drachten. Hij nam zijn intrek in logement Langeler. In de vastgestelde instructie van de directeur stonden zijn taken. Hij moest zoveel mogelijk aan de fabriek aanwezig zijn, in elk geval bij aankomst van de melk. Verder moest hij zorgen voor zindelijkheid, orde en reinheid, voor behoorlijk gedrag van het personeel en dat er geen sterke drank werd gebruikt in de fabriek of op het terrein. Hij verzorgde administratie en correspondentie, uitbetaling van de gelden en regelde de verkoop van producten. Hij moest 3000 gulden (zakelijke zekerheid) contant storten, daarvan genoot hij 4% rente per jaar. Zijn jaarsalaris bedroeg ƒ600. Als extraatje kreeg hij “voor gemis aan boter en melk” ƒ150 per jaar.

De opening en het begin

Alle voorbereidingen en de bouw verliepen voorspoedig, zodat op 23 januari 1901 de fabriek feestelijk geopend kon worden. Dezen morgen om 10 uur had de officiële opening der alhier gestichte roomboterfabriek plaats. Zoowel het dorp als de fabriek hadden een feestelijk aanzien. Tegenwoordig waren al de leden van het bestuur en de verschillende genoodigden, die allen hun tevredenheid te kennen gaven over de degelijke inrichting en de keurige machines welke allen in werking waren. Het moet dan ook erkend worden, dat zij zeer practisch en geheel naar de eischen des tijds is ingericht. In de openingsrede, gehouden door den eere-voorzitter J.M. Koning werd dank gebracht aan B.H. Hylkema, zuivelconsulent, voor zijn hulp en steun. Verschillende heeren voerden daarna nog het woord, tot intusschen de chocoladekar was verschenen, aan welks inhoud de aanwezigen zich te goed deden. Daarna keerde ieder, hoogst voldaan, huiswaarts. A.s. vrijdag zal de fabriek in werking te bezichtigen zijn voor de leveranciers en hunne vrouwen.

De eerste directeur hield het al na drie weken voor gezien. Op 11 februari vroeg Charisius eervol ontslag aan. “Wegens familieomstandigheden” verliet hij de gemeente onmiddellijk. Achteraf bleek dat hij in Zeist met zijn aanstaande zwager Errit Brandsma een zuivelfabriek ging beheren. In 1905 trok het gezin naar Zaandam, twee jaar later naar Soest. Ook daar stond hij te boek als zuivelfabrikant. Voor zijn opvolging viel de keus op de nummer twee van de eerder opgemaakte voordracht: Boke van de Burg uit Hijlaard (1875). Hij logeerde eerst bij Langeler, later bij Witte. Boke trouwde met Trijntje Schuurman. Op 9 december 1902 trok het gezin, dat drie kinderen kreeg, in de nieuwe directeurswoning bij de fabriek, gebouwd voor ƒ3407.

Het overige personeel bestond bij de oprichting uit machinist-centrifugist H. Putto, botermaker Frans Besselink, melkweger G. Nijman en ondermelkweger J. Besselink. Daarnaast was de machinist-leerling A. Frederiks in dienst. De komst van de fabriek betekende wel het definitieve einde van de al enige jaren kwijnende botermarkt op het Marktplein. De aanlevering was tot een minimum gekelderd.

Melklevering

Melkrijders met karren en wagens haalden de melk bij de boeren op. Naast de fabriek was een overdekte laadvloer op gelijke hoogte met de wagens. De volle bussen werden op de laadvloer gezet. Fabriekspersoneel pakte de bussen over en goten de melk in een groot vat. Elke melkrijder had zijn eigen melkrit, die jaarlijks aanbesteed werd. Van de fabriek nam hij boter, karnemelk en gortepap mee voor de klanten onderweg en thuis. Het was zwaar werk, dag in dag uit, door weer en wind. In de winter kregen de paarden stiften in de hoefijzers tegen het uitglijden. De melk werd naar vetgehalte uitbetaald, eenmaal per maand. Regelmatige controles moesten het vetgehalte op peil houden. Koeien met minder vet in hun melk werden eerder verkocht. Het bestuur vergaderde aan het begin van elke maand om de melkprijs van de afgelopen maand vast te stellen. De afgeroomde melk en karnemelk kregen de leveranciers gratis weer terug. De boter werd verhandeld op de mijn te Zutphen. Het bestuur hamerde steeds op zindelijkheid en hygiëne. Alleen melk van goede kwaliteit leverde goede boter. Melk in vuile bussen werd teruggestuurd; bij herhaling werd het melkleveren van de overtreder gestopt.

De melkritten vormden voor de boeren een welkome aanvulling op hun inkomsten. De aanbesteding van de melkritten werd afgekondigd in de Nieuwe Zutphense Courant. Het loon voor het melkrijden was karig, tussen de 1 en 2 gulden per dag. In 1901 werd begonnen met 8 melkritten voor totaal ƒ9,78, gemiddeld ƒ1,22 per rit per dag. De voorwaarden van aanbesteding van de melkritten regelde o.a. de uitbetaling aan de melkleveranciers. De melkrijder moest hierbij optreden als geldloper en diende het geld in gesloten zakjes aan de leveranciers overhandigen. Pas vanaf 1964 vonden de betalingen via de bank plaats.

Artikel 8 was een soort drankverordening: De melkrijder is verplicht om zijn paard of wagen gedurende de rit heen en terug te voorzien van een luidklinkende bel en hij mag niet langer stilhouden voor café's of koffiehuizen dan noodzakelijk is om de melk op of af te laden, op verbeurte eener boete van ¦1.

De regels waar de melkrijders zich aan moesten houden waren streng. Op elk half uur te late levering aan de fabriek stond een gulden boete. Dezelfde straf riskeerde hij bij dronkenschap en als hij zich zonder toestemming van de directeur verwijderde van de fabriek; dit gold ook voor marktdagen...

De wegen waarover de melkrijders moesten waren ronduit slecht. De sporen die getrokken werden diepten steeds verder uit. De zuivelfabriek had er veel belang bij dat de wegen in goede staat verkeerden. Het bestuur leverde dan ook een bijdrage aan het gemeentebestuur voor onderhoud. Sommige melkrijders spanden een tweede paard voor de wagen, maar de tolbaas eiste dan dubbele tol. De fabriek betaalde maar voor één paard. De zwaarbeladen melkwagens richtten zelf ook schade aan de wegen. Toen de H.E.K. in 1910 met een verzwaarde wegenverordening kwam kregen enkele melkrijders een proces-verbaal.

In 1904 waren er 15 melkritten, samen voor ƒ20,46½ per dag. Drie jaar later 21, waarvoor de melkrijders bedragen tussen 91 cent en ƒ1,75 per dag ontvingen. Het grootste aantal koeien bezat de voorzitter zelf, A. Enzerink, met 10 koeien. Veel leveranciers bezaten 1 of 2 koeien.

Perikelen van een boterfabriek

Het is vermakelijk om de notulen van de bestuurs- en ledenvergaderingen door te lezen. Naast de maandelijkse overzichten van hoeveelheden geleverde melk, geproduceerde boter en betaalde opbrengsten regelmatig melding van allerlei dagelijkse probleempjes, onenigheden en bezigheden. De handgeschreven schriftjes waren een afspiegeling van de ontwikkeling van de fabriek en de Hengelose maatschappij in die dagen en krijgt daarom de nodige aandacht. Een heel selecte greep uit de notulen vanaf 1903.

  • 1903

De weg langs de fabriek werd bestraat met klinkerstenen en er werd een paardenstal gebouwd.

Het bestuur besloot tot samenwerking met de fabrieken van Eibergen, Steenderen en Borculo. Hierdoor voorkwam men dat de ene fabriek produkten goedkoper zou aanbieden dan de andere. Ook kon men gezamenlijk agenten in het buitenland plaatsen om zich van een betere afzet te verzekeren.

Door de komst van de tramlijn kon de benodigde steenkool goed aangevoerd worden. Per jaar werd er ca. 10.000 kg kolen gestookt, een wagon vol. Het vervoer van tramstation naar bergplaats in de fabriek werd apart aanbesteed. Er was een plan om over en afstand van ca. 100 meter tramrails aan te leggen naar de botermakerij. Dit plan haalde het niet. In plaats daarvan besloot men een schuifkar te laten maken.

  • 1904

Erevoorzitter Koning deelde mee, dat de fabriek zich “in spijt van verdachtmakingen en tegenwerking” voortdurend uitbreidde. Hij bood aan om een poging te wagen de titel 'Hofleverancier' te bemachtigen. Hoewel hij besefte dat de titel eigenlijk niets te betekenen had, leek het hem goede reclame, zeker na de 1e prijs van de boter op een tentoonstelling in Doesburg. Koning bedankte later in het jaar als erevoorzitter.

  • 1905 Ontslag directeur Van de Burg

Op 2 oktober was er een bestuursvergadering met gevolgen. Kerkhofs stelde de schijnbaar onschuldige vraag aan Van de Burg waar het spoelwater van de boter bleef. Dit was de inleiding tot het ontslag van de directeur. Het leidde namelijk tot insinuaties over de verkoop van producten die aan de leveranciers toekwamen. Van de Burg schoot hierop uit zijn slof en vroeg waar al die lasterpraatjes vandaan kwamen, zoals over het laten wegvloeien van de ondermelk, de veel voorkomende absentie en het late opstaan van de directeur. Voor deze praatjes waren volgens hem volstrekt geen aanleiding. Van de Burg vond dat Kerkhofs maar zelf een paar weken directeur moest zijn om te zien of er dan geen “abuizen” meer plaats vonden. Zo ging de vergadering al ruziënd uit elkaar. Twee weken later diende Boke van de Burg zijn ontslag in. Hij werd directeur van een zuivelfabriek in Apeldoorn. In 1931 ging het gezin naar Leiden, waar Boke in 1959 overleed.

De ledenvergaderingen waren voortaan in de nieuwe grote zaal van Kremer. Voorzitter Enzerink ging tijdens een bestuursvergadering even naar Kremer om dit te regelen en kwam tevreden terug. G. Kremer stond de zaal kosteloos af. Wat een heerlijke tijden zonder telefoon.

De instructie van de directeur werd zodanig gewijzigd dat hem voortaan verboden werd enige handel te drijven buiten de belangen van de fabriek. Het gedrag van de vertrekkende directeur was hiervoor de aanleiding; hij had toch wat zitten rommelen.

Er waren vier kandidaten voor de functie van directeur: A. Hento uit Staphorst, J. Knol uit IJlhorst bij Staphorst, V. Postma uit Hijlaard en J.G. Klijnstra uit Rozenbrug. Enzerink deed in de ledenvergadering een poging om de stukken van alle vier voor te lezen, maar de leden onderbraken hem telkens. Het was allen direct duidelijk dat Hento de aangewezen persoon was. “Schei toch uit”, riepen de leden. Dat bleek ook uit de stemming, waarbij Arend Hento 135 van de 142 stemmen kreeg.

In december bedankte voorzitter Enzerink als bestuurslid. Hij had gemerkt dat de nieuwe directeur geen voorzitter nodig had. Hij voelde zich gepasseerd, maar wilde er geen drukte over maken en trok zich terug.

  • 1906 Willem Kerkhofs voorzitter

Willem Kerkhofs werd tot nieuwe voorzitter gekozen. Misschien vanwege zijn rol rond het vertrek van Van de Burg. Hij was in ieder geval een figuur die zijn mond open durfde te trekken.

Twee leveranciers hadden klachten over melkrijder Brekveld. Hij reed op ongeregelde tijden. Ze wilden eigenlijk niet klagen, omdat ze bang waren dat Brekveld zich zou wreken door hun bussen te beschadigen of de melk te laten staan. Een beschadigd exemplaar was als bewijs aanwezig. Deze bus werd op kosten van Brekveld gerepareerd. Tevens kreeg hij een boete van 50 cent.

De boter kreeg in mei een gouden medaille en erekruis op de Internationale Tentoonstelling in Antwerpen. Het personeel kreeg hiervoor een gratificatie. Tien gulden voor botermaker Frans Besselink, de helft voor de anderen. Besselink bleek een heel goede botermaker te zijn. Hij maakte de boter van een dusdanige kwaliteit dat het vele malen in de prijzen viel. Dat deed hij op ambachtelijke wijze, met de boterspaan dus. Hij oefende tot 1928 deze functie uit, maar bleef tot 1939 als volontair aan de fabriek verbonden.

  • 1907 Hento dreigt met ontslag

Hento diende zijn ontslag in. Hij vond dat er te veel ruzie was tijdens de vergaderingen. De bestuursleden betreurden zijn besluit en vroegen hem dit terug te nemen. Hento zou erover nadenken. Op een buitengewone ledenvergadering op 25 oktober bleek dat er meer achter zat. Als reden gaf Hento op, dat hij een kaasfabriek te Leek (Gr.) had gekocht. Er waren geruchten dat dit niet de enige reden was. H.J. Lenselink wilde weten hoe het kwam dat al de derde directeur weg wilde. In Steenderen, Vorden en Ruurlo wilden ze wel blijven. Dan moest er iets aan mankeren. Voorzitter Kerkhofs zei het niet te weten. Langeler keurde het af dat Hento, die toch een goed salaris had, kaashandel bedreef in de tijd die hij aan de fabriek moest besteden. Kerkhofs en Takkenkamp sloten zich hierbij aan. Kerkhofs en Elzebroek verklaarden dat hij het personeel niet de baas was, de boterfabriek leek wel een kaashandel, kortom, het was een “herrie” op de fabriek.

Kerkhofs klaagde dat Hento geen verlof aan hem vroeg en dat hij niet goed ondergeschikt kon zijn. Verder dat hij op tijd aanwezig moest zijn bij het in ontvangst nemen van de melk. Het personeel moest op de kippen letten en toch was het slot van het kippenhok gebroken en eieren gestolen. Ook enkele melkrijders hadden onenigheid met hem gehad, ze moesten teveel op de melkwagen meenemen. Hento had een leerjongen uit Vorden aangenomen zonder eerst het bestuur in te lichten. Daarover had Kerkhofs hem in de bestuursvergadering aangevallen. En zo borrelde een flinke beerput op.

Lenselink deed een goed woordje voor de directeur. Iedereen had hem destijds veruit de beste kandidaat gevonden. Onder hem marcheerde de fabriek uitstekend. In binnen- en buitenland veroverde de boter prijzen. De vereniging telde steeds meer leden, leveranciers en koeien. De winsten stegen navenant.

Uiteindelijk stelde het bestuur voor Hento 30 gulden salarisverhoging te geven als hij zijn ontslag introk. Hierover werd gestemd, waarop 192 stemmen voor Hento's aanblijven stemden en slechts 4 tegen. Massale steun voor de directeur dus, die dan ook direct verklaarde te zullen blijven.

Machinist De Vries werd ontslagen. Hij stond al een poos ter discussie, omdat hij personeel en bestuursleden zou opruien.

  • 1908 Bestuur stapt op

De rust leek weergekeerd, maar dat bleek schijn. Op 14 maart kreeg Kerkhofs weer mot met de directeur. Centrifugist Besselink vertrok, waarna Kerkhofs voorstelde om het personeel door te schuiven, maar Hento was hier tegen. De fabriek zou door ondeskundigheid 50 gulden per dag schade lijden. Kerkhofs reageerde furieus en eiste een stemming. Vijf bestuursleden stemden voor, maar trokken zich later terug, waarop Kerkhofs zonder afscheid te nemen uit de vergadering liep.

Bij de volgende bestuursvergadering vroeg Esselenbroek om eerst te overleggen of er fatsoenlijk met elkaar gesproken kon worden. De anderen konden zich hiermee verenigen, maar Elzebroek gooide olie op het vuur door enkele oude zaken op te rakelen. Waarop de anderen vonden dat zo'n verdeeldheid niet langer kon. Na stemming werd unaniem besloten dat het hele bestuur opstapte.

Op 27 maart vond een gedenkwaardige ledenvergadering hierover plaats. Een uiterst rumoerige avond, waarover in Hengelo lang gepraat zal zijn: In de vergadering van de leden der CSH gisteravond gehouden waren 287 stemmen vertegenwoordigd. De oorzaak dezer ongewoon groote opkomst lag hierin, dat er een nieuw bestuur moest verkozen worden. De vorige week hadden allen ontslag genomen. Na opening en lezing der notulen deelt de voorzitter mede de agenda te wijzigen en eerst de bestuursverkiezingen af te handelen. Voor de stemming wenschte iemand te vernemen wat de oorzaak van het bedanken was. Esselenbroek antwoordde: "Het afgetreden bestuur had voortdurend onenigheid. Nauwelijks is een bestuursvergadering geopend of de herrie begint. Niet al zijn medeleden waren even slim, maar er schuilden er onder, met wie totaal niet viel samen te werken". "Ben ik dan een van de slimsten?" vroeg T. Harmsen scherp. Esselenbroek: "Ik noem geen namen", doch bevestigde zijn mededeeling door te zeggen: "Zie vergadering, zo gaat het altijd". De uitslag van het nieuw gekozen bestuur: B. Esselenbroek, E.J. Olthof, B. Brunsveld, A. Enzerink (voorzitter), D.J. Harmsen (Veerman), J. Walgemoed (secretaris), M. Harmsen (Stenderink), B. Overkamp en J.J. Elzebroek. De eerste drie zijn van het oude bestuur.

  • 1909

Op 21 december leidde Koning de ledenvergadering. Er waren twijfels over de betrouwbaarheid van Hento. Uit een briefwisseling in april 1909 tussen burgemeester Knottenbelt en zijn ambtgenoot in Vledder bleek dat deze inlichtingen had gevraagd over Hento naar aanleiding van een sollicitatie aldaar. Knottenbelt schreef dat de directeur ¦1300 per jaar verdiende na ¦200 aftrek voor levenson­derhoud. Hij voegde er aan toe: “Aan zijne betrouwbaarheid moet worden getwijfeld. Wij geven U in overwe­ging hem niet als borg aan te nemen". Knottenbelt had blijkbaar inlichtingen ingewonnen bij enige vijanden van Hento. Die onder de opgestapte bestuursleden makkelijk te vinden waren. In ieder geval kon Hento Vledder wel vergeten.

Het bestuur stelde wijzigingen voor in de instructie voor de directeur:

  1. contracten met afnemers van boter moesten getekend worden door voorzitter en secretaris.
  2. geen gebruik van alcoholhoudende drank in het fabrieksgebouw.
  3. hij mocht zich in functie niet bemoeien met politiek of godsdienst.
  4. hij moest maandelijks een maandstaatje inleveren.

Hento’s handelingen werden daarmee nauwlettend gevolgd en aan banden gelegd. Hij protesteerde heftig, waarop Koning plotseling het onderwerp afkapte.

  • 1910 Ontslag voor assistent Winia

Er werd afkeuring uitgesproken over het gedrag van assistent-directeur Winia. Hij was op 24 december om half twaalf zonder toestemming vertrokken en op oudejaarsavond al om half vijf.. Verder had hij geweigerd op Hento's bevel het fabrieksterrein te verlaten. Naar aanleiding van zijn wangedrag en brutaal optreden was hij geschorst. Enzerink had nog bij de politie geïnformeerd en die oordeelde: “Maak dat die kerel zoo spoedig mogelijk weg komt, want het is een gevaarlijk sujet”Het bestuur wilde hem per 26 februari ontslaan. Maar zo gemakkelijk kwam het bestuur er niet af. Ze kregen een brief met handtekeningen van 67 leden die een buitengewone ledenvergadering wilden om een grondig onderzoek in te stellen. Deze werd vastgesteld op 15 februari, maar eerst ontdekten ze nog een foutje. Het bestuur was vergeten op de vergadering van 15 januari een voorzitter te kiezen. Het besluit tot ontslag was dus in feite ongeldig. Toen dit bleek ontstond een komische situatie. Winia moest verschijnen en verklaren of hij het eens was met zijn eerste brief tot ontslag of dat er een tweede moest komen met dezelfde inhoud en twee getuigen. Winia nam genoegen met de eerste brief...

Enzerink (teruggekeerd als voorzitter) verklaarde dat Winia loog en belasterde, waarna hij ter verantwoording was geroepen en door de mand viel. Ondanks een berisping had hij zijn leven niet gebeterd en was hij ontslagen. De feitelijke redenen voor het ontslag werden niet gegeven, hoewel dit wel beloofd was. Advocaat mr. Dijstra wilde geen opening van zaken geven. Takkenkamp en Elze­broek protesteerden, waarna onverwachts de vergadering werd gesloten. Onder groot rumoer ging de vergadering uiteen.

Hento reclameerde op zijn belastingaanslag. Knottenbelt was daar bijzonder boos over. Volgens Hento’s opgave zou hij maar een gering inkomen hebben. Maar het was bekend dat hij in Friesland een kaasfabriek exploiteerde. Knottenbelt verklaarde in de raadsvergadering: “Hij staat hier niet hoog aangeschrevenbetrouwbaar zouden wij hem niet gaarne zonder voorbehoud verklaren”.

De fabriek kreeg aansluiting aan de telefoon.

  • 1911

Er was mond- en klauwzeer uitgebroken in Hengelo. Enkele leveranciers wilden hun melk van ziek vee toch leveren. Dit werd na stemming afgewezen, je moet er niet aan denken dat zo'n stemming anders uitvalt.

Zieke Hengeloërs kregen gratis karnemelk, maar sommigen maakten misbruik van dit voorrecht. Daarom moesten zieken voortaan elke week een nieuw schriftelijk bewijs van de dokter tonen. Personen die geen leverancier waren moesten 5 cent per liter betalen.

Ondermelkweger Arend Groot Roessink had een bedrijfsongevalletje gehad. Hij had zich met een roestige spijker door een vinger gestoken. Hiervan was aangifte gedaan bij de Rijksverzekeringsbank. Later stuurde de Centrale Werkgevers Risicobank bericht dat hij 70% van zijn loon vergoed kreeg. Dat was ƒ1,03½ per dag. De fabriek vulde dit aan met zijn weekloon wegens de geleden pijn.

Nieuwe burgemeester, nieuwe wetten. Kreeg het personeel bij Meyjes ontheffing van de oefeningen met de brandspuit, Knottenbelt kende geen pardon: opdraven. Wel beloofde men rekening te houden met de werkuren. Het bestuur besloot het personeel niet tijdens het verwerken van de melk te laten vertrekken.

  • 1912 Een stinkende Laak

De paardenstallen moesten gerenoveerd worden. Kosten negentig gulden, zo berekende de vaste aannemer/timmerman Leemreis. Het overzolderen van de gehele stal kwam op honderd gulden.

Het personeel kreeg salarisverhoging: J. Bieleveld naar ƒ9,50 per week; F. Besselink en G. Nijman ƒ10; H. Bentum en A. Groot Roessink ƒ8,50; B. Smeenk ƒ4. Kuiper B. Maalderink kreeg voortaan 16 cent voor derde vaten en 13 cent voor zesde vaten. Zijn uurloon ging naar 15 cent.

Melkrijders Kelholt en Verhey gingen met twee wagens door de tol. Ze kregen het halve tolgeld terug.

B&W zouden bij brandoefeningen rekening houden met de werkuren, maar op 8 juni hadden de machinist en botermaker toch moeten komen. Een uur vrijstelling wegens het moeten verwerken van de melk werd ook na herhaald verzoek geweigerd. Het bestuur besloot het personeel niet te laten gaan, aangezien de fabriek niet stopgezet kon worden.

Er waren klachten over stank van de Laak naast de boterfabriek. Hierin vloeide het afvalwater van de fabriek. Dit was ernstig verontreinigd. Naast de stank ondervond ook het grazende vee in naburige weiden mogelijk nadelige gevolgen. Dr. Bardet van de Gezondheidscommissie bracht een bezoek voor inspectie.

B&W wilde de vereniging verplichten een septic tank te kopen of een vloeiweide direct achter de fabriek aan te laten leggen. Voor bezwaren kon het bestuur zich op 16 november op het gemeentehuis vervoegen. Een commissie zou alle buren bezoeken en laten tekenen dat ze geen bezwaar hadden tegen lozing van afvalwater in de Laak! Alle personen tekenden, waarna de commissie op het afgesproken tijdstip naar het gemeentehuis trok. De verbazing was groot toen bleek dat er geen lid van B&W aanwezig was. Wel kreeg het bestuur een brief van B&W waarin ze de fabriek verplichtten voor 1 juni 1913 een septic tank te hebben. Het bestuur vond de aanschaf echter te kostbaar. Ze stelden voor putten aan te brengen, die de vette bestand­delen tegen­hielden. Dit was veel goedkoper en de inhoud kon worden opgepompt en verkocht als varkensvoer. De vraag was of de Hoofdinspecteur van de Arbeid zich hier mee kon verenigen.

Hento maakte het bestuur opmerkzaam op het aangrenzende perceel van de overleden Hofs dat te koop kwam. Het was een optie voor de vloeiweide.

De Dorschvereniging had verzocht een gebouw te mogen plaatsen op grond van de fabriek. Zij betaalden hiervoor twee kwartjes huur per jaar en moesten het gebouw netjes onderhouden. Ze kregen een plek aangewezen achter de heg aan de Laak.

Het voorstel om karnemelk aan particulieren te verkopen werd met 134 tegen 18 stemmen verworpen.

  • 1913

In het jaarverslag van de Gezondheidscommissie, die zetelde in Stad-Doetinchem, kwam de kwestie over het afvalwater weer aan de orde: Bij langdurige droogte verspreidde het veront­reinigde water een zeer onaangename lucht. Bij onderzoek bleek dat de 30.000 liter spoelwater, benevens het menage-water der directeurs-woning in de Laak vloeide, zoodat het niet te verwonderen was, dat ondanks de bij de fabriek bestaande zinkputjes, de omgeving last van de verontreinigde Laak had. Het advies aan het bestuur van de CSH was om een septic tank aan te schaffen, òf liefst in overleg met de Heide Maatschappij een vloeiterrein aan te leggen.

Bij besluit van 2 december legde B&W de CSH voorwaarden op tot het aanleggen van een septic tank. In een volgend jaarverslag zullen wij zien, dat op dit besluit is teruggekomen en hoe 'fraai' aan deze voorwaarden is voldaan. Een andere afdoende wijze om stank te voorkomen is niet mogelijk en altijd een lapmiddel. Het is te hopen dat B&W nogmaals krachtige druk zal uitoefenen.

Het bestuur besloot “om toch eindelijk eens een eind te maken aan het vervoeren door melkrijders van meel, of het doen van boodschappen of het ophouden in café's in het dorp”. De bestuursleden gingen streng controleren. Geconstateerde overtredingen zouden direct de volgende morgen gemeld worden, waarna een boete volgde.

De fabriek bestond 12½ jaar. In het begin werd van 400 koeien de melk verwerkt. De 48.813 kg boter bracht in 1901 ƒ57.835,94½ op. In 1913 was er van 1462 koeien (525 leveranciers) een produktie van 160.296 kg boter met een opbrengst van ƒ217.656,68.

  • 1914 Nadelige gevolgen van de mobilisatie

Er waren vaak klachten van melkrijders en leveranciers over het opladen en vervoeren van melk. Enkele voorbeelden:

* Th. Verhey wilde de melk van Meenink niet aan huis afhalen, want dit zat niet bij de aanbesteding. Hij wilde en kreeg hiervoor een vergoeding van 6 cent per dag.

* Langwerden wilde niet met de melkwagen over 't Regelink rijden en liet de melk van Hissink daarom staan. Hissink kreeg 10 cent per dag om de melk naar de grintweg te brengen.

* Regelink uit Delden wilde niet met zijn melkwagen over de slechte weg bij Krijt in Wichmond. Olthof en Hummelink hadden inmiddels de weg laten verbeteren.

* B. Weevers wilde de melk niet bij Camperman ophalen, omdat dit een omweg was. Camperman moest de melk voortaan naar de weg brengen.

En zo waren er tal van problemen. De ene leverancier wilde de melk niet naar de weg brengen, de andere melkrijder wilde de melk niet aan huis ophalen omdat het een omweg was. Het bestuur moest dan een beslissing nemen, maar altijd was een partij ontevreden.

Enzerink meldde dat de zuivelfabriek in Zelhem de veearts Reichman wilde wegkapen. Om dit te voorkomen stelde het bestuur voor dat alle leveranciers van Hengelo eens per jaar 30 cent van de melkrekening aftrokken. Voor dit bedrag kon Reichman dan benoemd worden op een door het bestuur vastgestelde instructie om hem te belasten met het toezicht op vee, ziekten en stallen. Uiteraard namen de leden dit voorstel aan en kon Reichman behouden blijven voor de gemeente. Hij trad per 1 april in dienst.

Toen de Eerste Wereldoorlog in augustus uitbrak ondervond de fabriek door de mobilisatie direct de gevolgen. Veel personeel was opgeroepen. Uitbetaling kon niet plaatsvinden, aangezien de banken de betalingen hadden gestaakt en geen Duits geld gewisseld kon worden.

Vanwege de moeilijkheden waren er op 8 en 13 augustus extra vergaderingen. Zilvergeld was er niet meer, alleen maar papiergeld en dat betekende steeds wisselen met de leveranciers. Voorlopig besloot men ondanks de kritieke situatie door te werken. Het dagelijkse leven was een chaos, de geldhandel lag geheel stil, vervoer per trein of boot was niet meer mogelijk. Enige zendingen boter werden met paard en wagen over de grens gebracht. Vanwege het zeer onregelmatige personenvervoer huurde de vereniging een motorrijwiel voor Hento. Hierdoor kon hij toch klanten bereiken en boter aan de man brengen.

Nederland wierp zich niet zelf in de strijd, maar dat alle naburige landen in oorlog waren had toch zijn gevolgen. De handel stortte in elkaar. De fabriek draaide wel door, maar met veel strubbelingen. In augustus 1914 waren verschillende leveranciers met de melklevering gestopt. Een maand later waren de meesten van de schrik bekomen en leverden weer.

  • 1915 Verbouwing van het laboratorium

De zuivelfabriek ondervond veel hinder van de economische gevolgen van de oorlog. Zo was er een groot gebrek aan steenkolen, een belemmering van de boterhandel door maximumprijzen en de lage koers van de mark (42 cent). Toch was 1915 niet dramatisch: er werd minder melk geleverd, maar ¦33.118 meer verdiend

Met het oog op de heersende mond- en klauwzeer werden de bussen ontsmet in kokend water en melkrijders schorten verstrekt bij het uitgieten van de melk en ontsmetten van de wagens.

In 1915 werd het laboratorium verbouwd (en geen nieuwbouw zoals in het boek ‘Nijver in het groen’ staat vermeld). Alle leveranciers kregen bij hun geldzakje een bericht van aanbeste­ding, zodat de vaklui zich konden inschrijven. Veel leden combineerden kennelijk de landarbeid met een ambacht. H. Zilvold was met ƒ644 de laagste inschrijver.

Een beslissing in de bestuursvergadering van 2 maart werd uitgesteld, omdat Elzebroek en Esselenbroek, beiden boeren uit de Noordink, met de laatste tram mee moesten!

Hento verklaarde dat er groot risico aan handel met Duitsland vast zat, aangezien verschillende afnemers onder de wapenen waren geroepen en de vrouwen de zaken waar zouden nemen! Dit kon wel eens verkeerd aflopen, vond hij. Het bestuur was van oordeel voorzichtig te zijn, maar toch met de handel door te gaan.

De Duitse regering stelde in november maximumprijzen vast. Rechtstreeks uitvoeren was niet meer mogelijk. Hento probeerde om de boter toch tegen een zo hoog mogelijke prijs aan de Duitse afnemers te verkopen. Hij ging zelf over de grens om dit te bespreken.

  • 1916 De volgende verbouwing

Oorlog of niet, de fabriek breidde zich verder uit. Door een verbouwing van centrifugelokaal, machinekamer en ketelhuis werd het ca. 170 m² groter. Tevens kocht de fabriek een gelijkstroommachine, een stoompomp en een ondermelkpasteur. Hierdoor kon aan de verplichte pasteurisatie voldaan worden. De aanbesteding was op 2 maart in het café van Leemreis. De laagste van de 15 inschrijvingen was J.H. ten Elze uit Zutphen met ¦7491.

Er kwam een schrijven van de regering over melkvoorziening voor de grote steden. De fabriek moest 1500 liter leveren in Zutphen. Daar werd het samen met ‘regeringsmelk’ van andere fabrieken geladen. Het bestuur sprak over de “onbillijkheid” hiervan, maar er was niets tegen te doen.

Een verslag uit de rechtszaal van 28 september - Gerard Bannink, 42 jaar, landbouwer en melkrijder te Hengelo, heeft op 18 Augustus den 62-jarigen melkrijder G. Wisselink gestompt. Er kwam ruzie door de begeerte van beiden om het eerst vóór de fabriek te komen. En toen nu Wisselink het eerste vóór was, kreeg hij een bloedneus door de stompen van beklaagde. Deze zegt dat hij Wisselink alleen terugduwde en dat hij toen gevallen is. Eisch: ƒ10 of 10 dagen.

Tijdens de Koldemarkt zou de fabriek de gehele dag stopgezet worden, al protesteerde Hento; de streng gereformeerde directeur was fel tegen alles wat met drank te maken had.

Er werd besloten nog een extra voorraad kolen te kopen wegens de dreigende kolennood. Op het verbruik van de machines werd nauw gelet.

Het salaris van de directeur werd geregeld naar het percentage van de inkomsten. Hento stelde voor om hem voortaan een bedrag van alle inkomsten boven de 160.000 gulden te geven met een maximum van 350 gulden. Na stemming werd het voorstel goedgekeurd.

  • 1917 Schaarste

Hento vond dat de nieuwe regeling al over 1916 betaald moest worden. Het ging over een percentage van een afgesloten boekjaar. In de ledenvergadering was men er vanuit gegaan dat het per 1917 in zou gaan. Hento had al advies ingewonnen bij advocaat, de bond en Nienhuis, de directeur van de Vordense fabriek. Het bestuur voelde zich bedrogen. De partijen staan thans tegenover elkaar, er werd nog iets over nagepraat, men dronk een glas, en liet de zaak zooals het was. Prachtige tijden...

Enzerink en Hento waren met Nienhuis en Tjoonk van Vorden naar Drenthe gereisd om turf te kopen. De loods van de Boerenbond kon dienen als bewaarplaats; deze stond toch leeg. Om met zo weinig mogelijk steenkolen de fabriek draaiende te kunnen houden, mengde men de turf door de kolen.

Frans Besselink had gevraagd of hij halve dagen vrij mocht hebben, omdat zijn zwager ging houtzagen en hij dan thuis kon werken. Dit werd afgewezen. Ten eerste was er werk genoeg bij de fabriek, ten tweede: wat zouden de leden zeggen van zo'n manier van werken door het bestuur?

De nood was hoog. Om de fabriek draaiende te houden werd geprobeerd extra steenkolen te krijgen en om de dag te werken. Op dagen dat wel gewerkt werd, begon men een half uur later, om de leveranciers in de gelegenheid te stellen bij daglicht te kunnen melken en zodoende petroleum uit te sparen.

Na een inbraak werd besloten een goede hond voor de fabriek aan te kopen! Omdat hondenvoer niet te krijgen was, werd hij gevoerd met paardenvlees, melk en andere voerartikelen die te krijgen waren.

  • 1918 De eerste melkventer

Hento wilde aan schoolkinderen en zieken met een doktersbewijs melk verstrekken voor 17 cent per liter. De Zutphense Courant op 3 februari: Konden we onlangs met ingenomenheid melden dat de directeur der boterfabriek bereid was, melk te verschaffen aan de openbare scholen, ten behoeve van de 's middags overblijvenden, thans heeft het bestuur der fabriek besloten dat hieraan oogenblikkelijk een eind moest komen. "Wel mogelijk" zeggen we, doch was daar door 't bestuur niet iets door de vingers te zien? Hoeveel melk wordt er thans niet geleverd aan 't Rijk, wat immers evenzeer met de statuten in strijd is, maar waaraan niet te ontkomen is? Komt heeren! Weest humaan, en komt om der wil der kinderen op Uw besluit terug.

De leden besloten om melk aan de burgers te verkopen door met een kar te gaan venten. De zomer kwam eraan en dan was er voor particulier gebruik voldoen­de melk om het hele dorp te voorzien. Voor de exploitatie moest een kar gekocht worden. De eerste melkboer in het dorp was Jan Oortgiesen. Jan kreeg passende kleren en pet. Zijn loon was vastgesteld op 4 gulden per week. Hij begon in mei met zijn rondes: Krachtens besluit van de laatstgehouden ledenvergadering heeft de CSH thans een begin gemaakt met het slijten van melk aan de burgerij. Het frisch geschilderde karretje, met z'n blinkende koperen melkbussen en daarbij de venter in z'n helder nieuw pakje zijn iets nieuws voor ons dorp, maar tevens voor de ingezetenen een groot gemak. Hopen we, dat de proefneming het bestuur zoodanig moge bevallen, dat Jan Oortgiesen 's morgens een blijven­de verschijning wordt.

De venterij verliep niet helemaal vlekkeloos. Het nam veel meer tijd in beslag dan oorspronkelijk werd verwacht.

Verkoop van karnemelk op de kar mocht alleen op bewijs van de dokter. Dr. Meinders wilde niet elke week een bewijs voor karnemelk af te geven, maar gaf liever doorlopende bewijzen af.

De winkeliers Wansink en Scholten schreven naar Den Haag om ook een gedeelte van de kleinverkoop te krijgen, kennelijk was het lucratief. Hento protesteerde, aangezien deze kleinhandel een extra winst voor de fabriek opleverde van zo'n ¦240 per week (waarvan dus 4 gulden voor de venter!). Het was niet tegen te houden; de distributie was ook zwaar voor winkeliers. Voorlopig werd er maar in berust.

Rodermond had een overtreding geconstateerd bij G.J. Steenblik. In plaats van de melk te leveren aan Wolters had hij het geleverd aan de Vordense fabriek. Het bestuur wilde met kracht tegen Steenblik optreden, aangezien hij ook nog moeite had gedaan om Kramp, een nieuwe leverancier, aan te bieden melk mee te nemen naar Vorden. Olthof en Hento deden nog een poging om de zaak in den minne te schikken door hem te manen alsnog de melk te leveren, maar zonder resultaat. Hij kreeg een boete van 25 gulden.

De fabriek kon geen gebruik meer maken van petroleum. Noodgedwongen keek men uit naar de kosten van een electrische installatie. Een ruwe schatting lag rond de 3000 gulden. Later werd een kleine installatie voordelig aangeboden door een leraar aan de ambachtsschool in Zutphen voor 850 gulden.

Assistent Huisma bleek ernstig ziek. Hij had tuberculose en het zou nog lang duren voor hij was hersteld. Het personeel had bij ziekte recht op twee weken vol salaris, vier weken 3/4 van het loon en de daaropvolgende zes weken het halve weekloon. Na enige maanden vond het bestuur dat Huisma wel weer hele dagen kon werken, anders moest het salaris maar tot de helft verminderen.

Het personeel vroeg weer om salarisverhoging. Het bestuur vond echter dat het personeel de belangen van de fabriek niet voldoende voorstond. Afgelopen winter was er onvoldoende hout gekloofd en bovendien was er de schaarse melkaanvoer, waardoor er minder inkomsten waren. Het feest ging dus niet door. De melkaanvoer van diverse ritten was zeer gering.

Notaris Koning vierde op 18 oktober zijn 25-jarig ambtsjubileum. Elk bestuurslid tekende voor vijf gulden op de lijst die door de gemeente circuleerde.

De oorlog eindigde op 11 november, maar het was nog lang niet het einde van de (economische) problemen.

  • 1919

De verkoop van karnemelk in het dorp nam toe. Het bestuur besloot hoogstens twee liter per week voor een gezin beschikbaar te stellen. Jan Oortgiesen kreeg ontslag als melkventer, aangezien hij had geweigerd om melk naar K. Kuipers te brengen. In zijn plaats kwam Frits Wansink voor 6 gulden per week. Hento stelde nog voor, aangezien de melkventerij zoveel verdriet en ellende veroorzaakte (!), dit over te dragen aan de gemeente. In april vroeg Frits Wansink ontslag aan als melkventer. Jan Oortgiesen had verzocht de functie weer te mogen vervullen. Hij toonde berouw over zijn gedrag van vroeger. Hij verklaarde in de verleiding te zijn gebracht door Huisma.

  1. Lubbers stelde zijn zaal Concordia voortaan ter beschikking voor het houden van vergaderingen. Het personeel kreeg ditmaal wel meer salaris, omdat ook naburige fabrieken een hoger loon betaalden.

Botersmokkel (Herrie inde boterfabriek)

Een fantastisch verhaal is de 'botersmokkel' van 1919. Een uitvloeisel van de gedaalde normen en waarden als gevolg van de oorlog. Men nam het niet zo nauw met de regels, om maar aan geld en voedsel te komen. Een bekend verschijnsel in en vlak na oorlogen. Op 18 februari kwam het balletje aan het rollen. Hento had van Enzerink gehoord, dat er stiekem boter was vervoerd. Het was in het centrifugelokaal onder de jas naar de melkwagens gebracht. Hento kwam na onderzoek tot de ontdekking dat in de wagen van Wicherink 5 kg boter lag, die niet op het kantoor waren gekocht en betaald. De melkrijder wilde niet zeggen hoe hij aan de boter was gekomen en voor wie het bestemd was. Na verhoor door de veldwachters Schuurman en Wisselink bleef de melkrijder bij zijn weigering, waarna hij ‘onder de toren’ werd gebracht. Centrifugist Kerkkamp verklaarde dat hij de boter in het kistje had gebracht en voor hem bestemd was en dat hij aan Willem Sarink een bedrag had gegeven. Wicherink werd na deze verklaring weer vrijgelaten. Getuigen verklaarden meermalen gezien te hebben dat Huisma met Kerkkamp aan het 'geldwisselen' was. De veldwachters vonden dat Huisma het meeste schuldig was. Hij had de knoeierijen in de hand gewerkt door het goed te vinden dat boter werd weggedragen zonder een bewijs van afgifte. Zonder zijn medewerking had het personeel nooit boter weg kunnen moffelen. Voor Huisma werd direct een concept-ontslag opgemaakt. Men had wel medelijden met hem wegens zijn ziekte. Daarom kreeg hij eervol ontslag met zes weken loon. Het personeel kreeg een berisping, ze werden gewezen op de ernst van hun daden. Het bestuur wilde de controle verscherpen en vertrouwde erop dat personeel niet opnieuw aan onregelmatigheden te buiten ging. Tot dusverre leek de zaak mee te vallen.

Op 14 maart een extra ledenvergadering op verzoek van 99 leden. Het bleek dat er wel meer boter op illegale wijze uit de fabriek verdween en verscheidene leden gaven hun afkeuring hierover te kennen. Maar ook de directeur kreeg verwijten naar het hoofd geslingerd. Men stelde voor om de boeken in beslag te nemen en te laten onderzoeken en de directeur te ontslaan. Hierna werd besloten een commissie te benoemen om een onderzoek in te stellen. Deze bestond uit Hylkema en de directeuren van de fabrieken in Vorden en Steenderen: J. Nienhuis en J. Jaarsma. Het bestuur vond dat het verslag in de Zutphense Courant over de vergadering van 14 maart vol leugens stond en stuurde een brief, waarop de redactie van de krant weer reageerde: Onzen correspondent schrijft: “Hento zelf blijkt den melkrijder te hebben betrapt, maar er wordt niet ontkend dat een der bestuursleden hem er zoo herhaaldelijk op wees, dat er eindelijk wel eens iemand moest betrapt worden. We zullen eens rustig afwachten de resultaten van het nader onderzoek door de in te stellen commissie en als dan blijkt, hoe lang praktijken, als deze ongestraft konden plaats hebben, dan lijkt ons dat 'woord van lof' aan den directeur, die toch dagelijks toezicht houdt en weet wat er in de fabriek omgaat, niet bijzonder op zijn plaats. "Ook de politie ontvangt lof". Dan is die toch zeker ook bijzonder actief geweest, want voor de arrestatie van een melkrijder steekt men een agent toch geen pluim op z’n hoed. Het bevreemdt onzen correspondent dat het schrijven onderteekend is door het geheele bestuur, want er is veel aan de fabriek, waarover de leden zich misnoegd toonen, wat bleek op de laatste vergadering en naar onze correspondent van een bestuurslid hoorde, op nagenoeg elke bestuursvergadering.

Op 26 april overhandigde de onderzoekscommissie het rapport aan het bestuur. Het bestuur stelde voor het gehele personeel te handhaven met een jaar proeftijd. Intussen was Auke Huisma aan zijn ziekte overleden. Enzerink wilde bedanken als voorzitter, maar alle leden drongen aan hieraan geen gevolg te geven.

In de Zutphense Courant van 29 mei een samenvatting van de gebeurtenissen met enige achtergrondinformatie: Thans is in druk verschenen en aan de leden toegezonden het rapport van de commissie van onderzoek inzake de ongewenschte toestanden aan de zuivelfabriek. Het rapport begint met de uiteenzetting van den clandestiene boterverkoop, zooals die vroeger geregeld was en hoe het later geschiedde, toen de regeeringsmaatregel kwam, dat de melkleveranciers 0.5 kg boter per week extra mochten ontvangen. Dat maakte voor al de leden een hoeveelheid van 287 kg ‘vrije boter’ per week uit. De commissie komt dan tot de conclusie, dat bij deze nieuwe regeling van de kleinverkoop het heel gemakkelijk voor het personeel was, zich van boter te voorzien, omdat er geen aanteekening van gehouden werd, waar de vrije boter heenging, wat voor een goede naleving van de betreffende regeeringsmaatregelen noodig was geweest. Het blijkt de commissie, dat een vrij uitgebreide smokkelhandel in de vrije boter heeft bestaan, wat mogelijk is geworden door de boter, welke het personeel ‘versmokkelde’. Verder wordt hiervan gezegd, dat dit bedrijf op geheimzinnige manier moest worden uitgeoefend, want wanneer het ontdekt werd, zouden hieruit zeer onaangename gevolgen voor de fabriek voortkomen. Het eerste gedeelte van het rapport eindigt met de volgende verklaringen: dat 6 leden van het personeel zich aan smokkelhandel schuldig maakten, dat een behoorlijke controle van de zijde van de directeur niet werd toegepast en dat noch de directeur, noch de 6 leden vrijuit gaan. Daarna worden mededeelingen gedaan omtrent de schorsing van de botermaker en het ontslag van den assistent. De commissie pleit allereerst verzachtende omstandigheden voor de botermaker, en wel “omdat er aan de fabriek een opgewonden stemming heerschte, en de botermaker meende beschuldigd te worden van diefstal, welke gedachte versterkt werd door ingestelde controle. Hij wenschte daarom volledige controle ook voor het afwegen van kleinverkoop. Deze werd hem niet verzekerd door den beambte, hiermee tijdelijk belast, die hierbij eenigszins prikkelend tegen den botermaker optrad, met het gevolg dat de botermaker zijn werk in den steek liet.

In de ledenvergadering van 5 juni werd het rapport besproken. J. Klein Mentink had kritiek op het rapport. Hij vond dat het personeel in deze gevallen de heler was, de directeur de steler. Hento liet daarop direct proces-verbaal opmaken door de naast hem staande veldwachters. Na dit incident stelde Klein Mentink voor opnieuw een algemene vergadering uit te schrijven met op de agenda: ontslag van directeur, bestuur en personeel. De vergadering was soms meermalen heftig, soms vermakelijk doch waar het doorloopend toeging als op een Poolsche landdag vanouds.

Koning leidde de vergadering van 3 juli weer. Hij had zijn huiswerk goed gedaan en stelde dat de statuten en het huishoudelijk reglement verboden om de eerste drie punten door leden te laten bespreken. Het bestuur kon zich met deze gouden vondst wel verenigen. Om de leden tevreden te houden kwam alleen het 4e punt, aansluiting bij de bond voor zuivelfabrieken, in stemming. Dit werd met 183 tegen 185 verworpen. De verslaggever besloot met: Er is dus door de voorstellers dezer vergadering niets bereikt, en de tijd zal weldra leeren of deze verwikkelingen een storm in een glas water zijn geweest, want de dezer dagen aan de protestantsche leden gerichte circulaire heeft meer kwaad dan goed gedaan aan de verstandhouding der beide partijen.

De notaris vroeg of Hento iets wist van de verspreiding van een strooibiljet door katholieken! Na lang aandringen verklaarde Hento dat hij niets van het biljet wist. Walgemoed merkte op dat hij dit ook wel direct had kunnen zeggen. Het bestuur wilde Besselink wel weer in dienst nemen. Besselink vond dat hij recht had op ƒ252 loon over de periode dat hij afwezig was geweest.

Op 3 september de climax. Een ledenvergadering bij Kremer met 315 leden, die dit dieptepunt in de historie meemaakten. Het begon weer met ruzie over het voorzitten van de vergadering. Na een pittige discussie bleef Koning. Het verslag in de krant: Hiddink verzocht geen verslaggever toe te laten: de buitenwereld heeft er z.i. niets mee te maken. De vergadering steunde dit niet en de leider Koning verzocht niet uitdrukkelijk heen te gaan, zodat schrijver dezes vrijmoedigheid vindt te blijven. Koning licht daarna het voorstel toe, waaruit blijkt dat ’t bestuur aanvankelijk meenende, dat de bekende botersmokkel alleen door ’t personeel was gedreven, thans tot de conclusie was gekomen, dat de directeur hieraan niet onkundig was; ja er zelfs toe heeft meegewerkt door aan den botermaker Besselink een adres van een bakker te Zutphen te verschaffen, waar hij boter voor een goeden prijs kon leveren. Deze heeft daar dan ook vrij geregeld gebruik van gemaakt. De directeur zou hem de boodschap nog nagezonden hebben er de rijksmerken van te verwijderen. Verder heeft het bestuur als klacht tegen Hento, dat deze het bestuur omtrent belangrijke zaken aangaande de fabriek onkundig laat. De bewijzen voor deze beschuldiging zullen we, als behoorende tot de “vuile wasch”, welke Hiddink liefst binnenshuis behandelt, daarom ook hier niet releveeren.

Burghardt wees er op dat het steeds de katholieken waren, die op alle vergaderingen het grootste woord voerden! Dit was een dolksteek richting Besselink, die zijn relaas deed. Het was in oktober begonnen. Op een zaterdag­avond, tijdens het uitbetalen van het weekloon, had hij gehoord dat Hento had gezegd dat bakker Gravestein in Zutphen boter wilde kopen boven de maximumprijs. Machinist Nijman was getuige van deze uitspraak. Toen Besselink vroeg of hij boter kon krijgen, had Hento geant­woord: “vandaag wel, doch maandag niet meer”. Besselink had 15 kg boter gekocht en 's zondags aan Gravestein verkocht. 's Maandags had een knecht van de bakker de boter op willen halen. Hij zou na 5 uur bij Besselink aan huis komen, maar was te vroeg. Besselink had daarom vrij gevraagd om hem die boter te kunnen geven. Hento wist ervan, want hij had tweede assistent Sarink gestuurd om voorzichtig­heidshalve de wikkels en merken er af te trekken, omdat de boter buiten de gemeente zou worden vervoerd. Besselink had de winst zelf in de zak gestoken, zodat Hento volstrekt geen cent voordeel had genoten. Hento vertelde dat hij met verbazing en verontwaardiging punt 3 zijn ontslag op de agenda had zien staan. Hij verdedigde zich door uitgebreid te vertellen hoe de fabriek onder zijn leiding was vooruitgegaan. Het verhaal van de botersmokkel kon niet tegen hem worden gebruikt. Hij wilde volledig­heidshalve de juiste toedracht wel uit de doeken doen. Hij ontkende bovenstaande aantijgingen en had steeds volgens de voorschriften gehandeld. Hij stelde voor het voorstel van het bestuur van de hand te wijzen. Koning antwoordde dat de belangen van de fabriek voorop stonden en bleef bij het voorstel Hento te ontslaan.

Hiddink nam het voor Hento op: “Koning schermde steeds met belangen der fabriek, doch dit was niet de bedoeling van Koning; het was hem er alleen om te doen Hento er uit te werken, waarvoor gehoord thans de geringe grieven en de verdediging in het minst geen aanleiding bestond”. Veel leden stemden hiermee in. D.J. Jansen vond ook dat Hento geen schuld had. Als koopman wist hij hoe moeilijk het was om in de oorlogsjaren geld uit Duitsland te krijgen. Hij adviseerde dan ook tegen het voorstel te stemmen, om de directeur te behouden, omdat hij alleszins bekwaam en geschikt was voor zijn werk. Tot slot volgde de met spanning tegemoet geziene stemming: 190 stemden voor ontslag, 176 tegen, 1 blanco, zodat Hento zijn ontslagbrief kreeg. De vergadering had 5 uur geduurd. Zaal Kremer was zo vol geweest dat menigeen zich met een plaatsje in de gang of op de trap tevreden had moeten stellen.

De bestuursvergadering van 8 september begon met het gebruikelijke ritueel. Hento en bestuurslid Overkamp protesteerden tegen het onwettig aanwezig zijn van Koning. De overige bestuursleden vonden dat de notaris mocht blijven. Ze hadden hem natuurlijk nodig om Hento er uit te krijgen. Waarna Overkamp bedankte als bestuurslid; hij kon zich niet langer met de handelingen van het bestuur verenigen. Het ontslag van Hento werd behandeld. Koning had zich goed voorbereid. Hij haalde een verzegeld papier te voorschijn inhoudende het ontslag en verzocht de directeur dit te willen tekenen. Die was niet op zijn achterhoofd gevallen, verklaarde dit besluit onwettig en wilde niet tekenen voor zijn eigen ontslag. Koning stelde aan het bestuur voor ontslag per deurwaarderexploit te laten uitbrengen. Enzerink en Walgemoed zouden zich hiermee belasten.

Het bleef het gesprek van de dag in het dorp. Enkele aandeelhouders raadden eventuele sollicitanten aan niet mee te dingen naar de vacante betrekking, omdat het ontslag bij justitie aanhangig was gemaakt. Op 4 november de volgende ledenvergadering in Concordia, geleid door Hylkema, over het besluit om het ontslag van Hento weer in te trekken. Wie de aanzet voor de hernieuwde discussie heeft gegeven is niet duidelijk. Misschien Hento zelf, waarbij hij zich verzekerde van de aanwezigheid van meer aanhangers. Enzerink dreigde dat wanneer het besluit tot ontslag niet gehandhaafd bleef, het hele bestuur zou bedanken. Samenwerking met de directeur was niet meer mogelijk. Het resultaat van de nieuwe stemming was dat 205 stemmen werden uitgebracht voor handhaving van de directeur, 192 stemmen tegen en 3 blanco, zodat Arend Hento alsnog aan mocht blijven. De voorzitter sloot de vergadering na de mededeling, namens het bestuur, dat binnenkort een ledenvergadering zal worden gehouden voor het verkiezen van een nieuw bestuur, dat in zijn geheel wenste af te treden. Zodat het bestuur, dat vanaf 1909 ongewijzigd was gebleven, voor de tweede keer in de 18-jarige historie opstapte.

Het nieuwe bestuur werd in december gekozen: voorzitter H. Hiddink, secretaris R. Tjoonk, B. Riefel, A. Hilderink (na herstemming met D.J. Jansen), H. Lenselink, H. Wesselink, G.J. Steenblik, G.J. Langeler en J. Heerink. De situatie bleef onwerkbaar. Het vertrouwen in Hento was verdwenen. Hij bleef tot 1921, toen hij als directeur van de boterfabriek in Uithoorn benoemd werd. Van 1921 tot 1960 was J.C. Geertsema de directeur, hij was al assistent-directeur in Leeuwarden. F. Politiek was diens opvolger tot het einde van de fabriek in 1989. De boterfabriek was overbodig geworden en werd gesloopt, ondanks een flauwe poging deze te behouden.

Met de vele cijfers uit notulen en jaarverslagen zal ik U niet vermoeien. Alleen een paar ter illustratie. In 1919 verwerkte de fabriek 2.626.999 kg melk. 80.137 kg hiervan moest geleverd worden aan de regering en 29.147 kg melk was voor de plaatselijke verkoop. Uit de resterende 2.546.862 kg verkreeg men 86.774 kg boter. Na enkele jaren achteruitgang door de oorlog was er nu weer een vooruitgang. 1914 was het topjaar tot dusverre: 4.713.134 kg melk en 165.363 kg boter. Het aantal melkritten was gegroeid tot 28.

Overzicht personeel dat tussen 1900 en 1920 in dienst kwam.

Directeur

B.J.F. Charisius 1900-1901

  1. v.d. Burg 1901-1905
  2. Hento 1905-1921

Botermaker

  1. Besselink 1901-1928

Machinist

  1. Putto 1901-1905
  2. de Vries 1905-1907
  3. Nijman 1907-1930

Volontair

  1. Demming 1911
  2. Smeenk 1912

Th.J. Bouma 1913

  1. Smit 1913-1914
  2. de Boer 1914
  3. Lubbers 1917-1927
  4. Besselink 1927-1939

Melkweger

  1. Nijman 1901-1903
  2. Besselink 1903-1907

Assistent + Melkweger

J.G. Winia 1907-1910

  1. Bieleveld 1910-1913
  2. Kuipers 1913
  3. Hommes 1914
  4. Huisma 1914-1918
  5. Veenema 1919

H.J. Buunk 1919-1960

Centrifugist

  1. Putto 1901-1903
  2. Nijman 1903-1907
  3. Besselink 1907-1908

Th. de Weert 1908

H.J. Mulder 1908-1911

  1. Bentum 1911-1913
  2. Smeenk 1913-1914
  3. Veenema 1915
  4. van Kempen 1915

G.W. Kerkkamp 1915-1933

Ondermelkweger

  1. Besselink 1901-1903
  2. Groot Roessink 1903-1937

Kuiper

  1. Maalderink 1913-1939

2e assistent

  1. Veenema 1914
  2. de Boer 1914
  3. ten Pas 1915

C.H. Kerlen 1915

H.J. Reulink 1916

  1. Sarink 1916-1939

Diverse personeelsleden waren erg trouw, zoals Frans Besselink, G. Nijman, H.J. Buunk, W. Sarink, G.W. Kerkkamp en A. Groot Roessink.

Voorzitters van het bestuur:

  1. Enzerink 1900-1905
  2. Kerkhofs 1906-1908
  3. Enzerink 1909-1919
  4. Hiddink 1919-1920 (weggestemd)

eerder gepubliceerd in het boek Daar midden in de Graafschap

© W.J.M. Hermans, 2001

Too Hengel nog old-Hengel was

 

Eerder verschenen op de website:www.oldhengel.nl

Gerrit Langeler, veearts in Laren, maar geboren in Hengelo, begon op 20 december 1955 een lezing voor het Nut met het volgende rijm op Oud-Hengelo, die ook in De Graafschapbode werd gepubliceerd:

Too Hengel nog old-Hengel was
De karmse in volle fleur
En Giegengack met zien mölle ston
Bi’j Bovenkerk veur de deur,
Too Jan Canters nog ’t vaandel sloog
En ’t hele spul noa de Bleike toog,
Too Olbert Bretveld bieleman was
En de Kikvors spartelde in d’n plas,
Wie Bendelaar nog hef ekend
Die wet nog wel misschien
Dat e altied tegen de vrouwluu zeij:
Al’j mooie kinder kriegen wilt
Kiek dan maor ’s noa mien.
Too de omnibus deur ’t darp hen rolde
En Gebbink brag de pos,
Too ’t altied, altied zes uur was
Da’j ’t wel geleuven mos,
Too Kievenkamp nog nachwach was
Met Jan Buursink dee zien plich,
Too met de leere en de petroleumkan
Heel Hengel wier verlich,
Too Gert Denkers nog de scheerbaas was
Met ’t beksken onder d’n arm
Inzepen dee e met de hand
Neet altied met verstand.
Bi’j ’t feest van Koning Willem drie
In achttien negen en tachtig
Dat vonnen ze allemaol prachtig,
Too had e Van Dillen inezeept
En als een trouw Oranjeklant
Zongen beide too ’t hoogste lied
Voor Vorst en Vaderland
En as de Commissaris kwam
Ens in de vier jaor
Dan ko’ d’r vaste van op an
Dan was de straote klaor.
Ik wet nog dat e in de schole kwam
Da’s heel lange eleen.
Too de Regelinkstraot nog de Polsbroek was,
Dee name, dee moes weg
Dat heb ze op ’t gemeentehuus
Heel netjes oaverleg.
Maor ik wet nog hoe ’t vrogger was
En Jacobs d’r nog wonnen
Dee daags met sikkebökskes kruun
En bikkels kopen konnen.

Rebecca was ’n fikse deern
Die maken graag ’n proatjen
En ik heb zo vake ’t lich uut edaon
In de kleine synagoge
In ’t aardige Jodenstroatjen.
Too Concordia wier operich
Too ging ’t nog moar zo, zo
Moar ’t zol toch wel wat wodden
Met acht man en de Co
Ok maakten ze wel stroatmuziek
Union in Zelhem en in Vodden.
Too juffrouw Hilferink vroedvrouw was
Aanbidders had ze zat,
Moar de juffrouw bleef ongetrouwd
De heren hadden gin vat
Drie man tegeliek  …. ‘ ewaogd
Ze wieren d….. met eplaogd
Want de juffrouw …. Schaakmat.
Too Gijsbers nog veldwachters was
Doar hadde wi’j ..eet op staon
A’j bi’j Van Mens an de belle trokken
Of de rikketik leetrn goan
A’j Koffie Harm soms hadden eplaogd
Dan wier i’j grondig ondervraogd
Dan wodden ’t ow soms benauwd.
Moar Gijsbers kennen moar eene straf
“Iej bunt gewaareschouwd”
Met Poasen ginge wi’j eier rollen
Doar an de Reurlse weg
En as Regelinkdiek ’s proaten kon
Doar is heel wat oaverleg.

 

Een bijzondere geneesheer, Arend Meinders

www.oudhengelo.nl

Eerder verschenen in het boek Daar midden in de Graafschap (2001)                     

© W.J.M. Hermans, 2001 www.oldhengelo.nl


Hengelo heeft een huisarts gehad die liefst 66 jaar lang praktiseerde. Arend Meinders was een excentriek persoon die zijn eigen gang ging. Kwalifica­ties over hem variëren van kroepspecialist tot geldwolf. Hij was zeer actief in het dorpsleven. Hij had zitting in vele besturen van verenigingen en commis­sies en heeft als zodanig veel gedaan voor de Hengelose gemeenschap. Vooral voor de Tweede Wereldoorlog was hij van grote invloed. Door zijn uitgesproken mening botste hij dikwijls met anderen.. Hij was tot zijn dood op 92-jarige leeftijd in 1956 nog actief als arts, wat hem tot de oudste praktiserende huisarts van Nederland maakte. Een portret van een bijzondere geneesheer.


Geneesheren in Hengelo

In de 18e eeuw moet ene Planten al enige geneeskunst in Hengelo hebben uitgeoefend. De eerste arts in dienst van de gemeente Hengelo was ‘heel- en vroedmeester’ J.F.L. Schneider (1830–1834). In 1835 kwam J.A.L. Millies, die tot 1881 bleef. Hij zal heel wat meegemaakt hebben, maar moet een bescheiden man zijn geweest. Zijn jaarsalaris van honderd gulden per jaar werd namelijk in die 46 jaar nooit verhoogd. Opvallend was dat de vroedvrouw en veearts in die tijd een hoger salaris (200 gulden) ontvingen.

D.H. Wildschut Rijnders hield het daarna zes jaar vol, hij kreeg ineens 500 gulden per jaar! In 1887 kwam H. Ernste, die op 1 februari 1889 op eigen verzoek eervol ontslag kreeg. Na het vertrek van Ernste had Hengelo anderhalf jaar geen eigen huisarts.

De opvolger van Ernste was Arend Meinders. Hij werd geboren op 2 mei 1864 in Groningen. Na de HBS studeerde hij in 1890 aan de Groningse universiteit af als arts. Zijn eerste ervaring deed hij op in Schildwolde (gemeente Slochteren), waar hij enige maanden bleef. Bij raadsbesluit van 2 september 1890 werd Arend benoemd tot gemeente­geneesheer van Hengelo. Op 26 september begon hij met zijn praktijk. Hij vestigde zich in 1894 aan de Raadhuisstraat naast kolenboer Harmsen. Dit huis was in de vorige eeuw bewoond door de burgemeesters L. Mossel en W. Wilbrenninck. Arend trouwde in 1890 met Bouchiena de Jager (1863–1928). Ze kregen vier kinderen; dochter Albertina (1894-1986) huwde in 1918 met Louis Tjeenk Willink (1890-1933), later huisarts in Steenderen.

 

Hoogstraat Raadhuisstraat 1911R. dr Meinders WL1911 de Hoogstraat later Raadhuisstraat met rechts de praktijk van dr. A. Meinders.
Foto coll. W. Luimes.


Gezondheidszorg rond de eeuwwisseling

De gemeentegeneesheer was in dienst van de gemeente. Naast zijn eigen praktijk voor particulieren stond in zijn instructie dat hij gratis alle genees- en heelkundige hulp, waaronder ook verloskundige hulp, moest verlenen aan de gemeenteveldwachter en vaste gemeentewerklieden en hun gezinnen en voorts aan al de min- en onvermogenden, die zich daartoe aanmeldden met een door de burgemeester ondertekend consent. Hiervoor ontving hij 800 gulden als jaarwedde. Voor elk recept dat hij uitschreef ontving hij 50 cent vergoeding, zodat hij daar uiteraard kwistig mee rondstrooide. In de tijd dat Meinders begon als huisarts stond de gezondheidszorg in Nederland op een laag pitje. Antibiotica waren onbekend, de slechte hygiëne (drinkwater, riolering, voedsel, kleding) veroorzaakte vele problemen. Niemand zag het nut van een betere hygiëne in. Een belangrijke vooruitgang was dat in het midden van de 19eeuw alleen hoogopgeleiden (genees-, heel- en verloskundigen) bevoegdheden kregen. De stadschirurgijn, de plattelandsheelmeester en de talloze kwakzalvers moesten het veld ruimen. Grotere welvaart (voor die tijd dan), betere voeding, inentingen tegen pokken, voorschriften voor begraven, slachten en keuringen hadden het sterftecijfer laten dalen van 31.2 per 1000 in 1850 naar 17.8 in 1900. Het aantal bevoegde geneeskundigen was toen nog maar gering. In een dorp als Hengelo was Meinders ook apotheker en tandarts. Huisartsen behandelden vrijwel alle medische gevallen, slechts zelden kwam iemand in het ziekenhuis. De inkomsten waren laag en de bezoeken aan de patiënten deed hij in een tilbury getrokken door een paard. Vooral ’s nachts op de onverharde wegen in het donker was het buitenaf een heel avontuur om ze te bereiken. Later verbeterden fiets en auto het vervoer aanzienlijk. De dokter deed veel zelf, van bevallingen tot beenbreuken, van amputaties tot het trekken van een kies (zonder verdoving...). Er zijn gevallen bekend die wegens ernstig bloedverlies in het ziekenhuis terecht kwamen. Er waren nog vele ziektes en epidemieën, waarover weinig controle was: TBC, typhus en vooral difterie waren berucht. Het schijnt dat Meinders met een middel uit Duitsland veel zieken wist te helpen. Ook tegen TBC en vooral struma (kroep) schijnt hij probate middelen te hebben gehad, waardoor patiënten van heinde en verre naar hem toe kwamen.


Een staat van dienst

In 1913 was Meinders mede-oprichter van het ‘Algemeen Afdeelingsziekenfonds’, dat later Oost-Gelderland – Zuid-Overijsel (OGZO) heette. Door de komst van ziekenfondsen was medische zorg en met name specialistische hulp toegankelijk voor meer mensen. Hij was voorzitter van de artsenorganisatie, bestuurslid (en lange tijd voorzitter) van de marktvereniging, Groene en Rode Kruisvereniging en oranjevereniging Wilhelmina, lid van feestcommissies bij inhuldiging van Meyjes en Knottenbelt, feestcommissie van de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, feestcommissie 50-jarig jubileum Concordia 1911, Commissie tot Wering van het Schoolverzuim, Commissie tot verharding van Lankhorsterstraat en oprichter van het Hengelo’s Leesgezelschap. Van 1927 tot 1939 was hij raadslid, waarvan vier jaar als wethouder voor de Liberale Staatspartij. Hij stond daardoor in hoog aanzien. Zo was hij bij de marktvereniging eerst gewoon bestuurslid, maar vaak en vooral zodra het moeilijk werd, zat hij de vergadering voor, net als Koning dat bij de CSH (zuivelfabriek) deed. In artikels staat vermeld dat hij 57 jaar voorzitter was, maar dat is onjuist. Hij werd pas in 1919 de opvolger van J. Klem als voorzitter. Voorts was Meinders voorzitter van de landelijke artsenorganisatie en lid van het hoofdbestuur van de geneeskunst. Bij zijn 50-jarig artsenjubileum op 21 maart 1940 werd hij door koningin Wilhelmina benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Zowel bij dit feest als bij het unieke 60-jarig (!) jubileum werd hij door de Hengelose bevolking gehuldigd. Bij de laatste gelegenheid werd gewag gemaakt van het feit dat hij nog steeds op de hoogte was de nieuwste vakliteratuur en geneesmethoden.

 

1950 jubileum Meinders foto Ecal
1950 Het 60-jarig jubileum van Arend Meinders.


A. Meinders huisarts 60 jr
1950 Krentenbrood bij het 60-jarig artsenjubileum.

Een rel rond een zwervende vrouw

Meinders kwam duidelijk voor zijn mening uit. Daardoor botste hij met mensen die niet met hem eens waren. Hij ging zijn eigen gang, trok zich van weinigen aan. Al in 1895 werd hij bekeurd wegens fraude met gewichten. Vooral met de bepaling in zijn instructie dat hij verplicht was armoedzaaiers geneeskundige hulp te geven had hij erg veel moeite. Hij leefde constant in onmin met de ‘vader’ van het Armenhuis, Gerard Lenselink, omdat hij bij zieken in het huis er met de haren bij gesleept moest worden.

In het bijzonder met vroedvrouw Garritje Hilferink werkte hij steeds op gespannen voet. In 1903 beschuldigde hij haar van een ongepast optreden. Zij zou mensen ophitsen tegen hem. Ook met burgemeesters, raad, collega-artsen, veldwachters, burgers en andere leden van commissies waar hij in zat, lag hij dikwijls in de clinch. In 1910 kwam dit tot een uitbar­sting die een verdeeldheid onder de bevolking en de gemeenteraad veroorzaak­te. Aanleiding was de verlossing bij een zwervende vrouw op 10 maart 1910. De Zutphense Courant berichtte: Een zwervende vrouw, aan wie gisteravond van gemeentewege een onderko­men was verstrekt in het arrestantenlokaal, is daar hedennacht bevallen, en zal nu enkele dagen verblijf moeten houden.

De volgende dag werden er door Knottenbelt drie vragen gesteld aan de hoofdin­specteur van Volksgezondheid over de verplichting van gemeentegeneesheer en gemeentevroedvrouw ten aanzien van (gratis) hulpverlening bij armen:

  1. Is verlossing alleen assisteren bij geboorte of moet acchoucheur wanneer er geene vrouwelijke hulp (bv. van buren) aanwezig is, het geboren kind wasschen enz.
  2. Is het nodig dat bij onderzoek water en zeep en sublimaat (voor desinfectie van de handen) aanwezig is. Is sublimaat goed?
  3. Is het geoorloofd een zwervende vrouw die bevallen is, den derden dag na de verlossing weg te zenden, en haar weg als vagebonden te doen vervolgen, indien zij dat niet in een woonwagen doen kan, maar genoodzaakte te lopen? Of meent U dat een langer verblijf in de gemeente noodzakelijk zou zijn?

Een en ander was niet volgens de regels verlopen. We hoeven geen detective te zijn om hier enige schrijnende toestanden uit te halen over de gezondheidszorg in die dagen, zeker bij zwervers. Meinders moest als gemeentearts gratis hulp aan zwervers en armen verlenen, maar probeerde zich er snel en makkelijk af te maken. Het was nog erger dan uit de vragen bleek. Meinders had namelijk eerst helemaal niet willen komen, tot de burgemeester hem persoonlijk had opgehaald. Eenmaal aangekomen in het arrestantenlokaal had hij er zich met een jantje-van-leiden af willen maken. Hij wilde zijn handen niet wassen, beweerde dat thuis al te hebben gedaan. In het arrestantenlokaal was geen ontsmettings­middel aanwezig geweest.

Arend Meinders WH
A. Meinders, uitsnede uit andere foto. Foto: Coll. W. Hermans.


In de raadsvergadering van 28 april kwam de vraag of Meinders zich aan instructie-overtreding had schuldig gemaakt. Het debat zou uren duren - alleen D.J. Jansen zei al een uur nodig te hebben voor vragen - zodat dit uitgesteld werd tot 4 mei. Bij dit vervolg trok Jansen de conclusie dat de vroedvrouw in haar plicht was tekort geschoten. Knottenbelt bestreed dit en toonde aan dat mej. Hilferink niet schuldig was aan instructie-overtreding. Helmich hield een pleidooi voor haar: ze had al 24 jaar met de meeste toewijding haar “moeitevolle” taak uitgevoerd en mocht zich daarom in de hoge achting van alle moeders verheugen. Helmich had geen oordeel over het gedrag van de dokter, maar “het was niet de eerste maal, dat er dienaangaande klachten zijn”. Knottenbelt was het hier geheel mee eens. Jansen daarentegen bleef bij zijn mening.

Jansen vroeg of de burgemeester zelf aan Meinders verzocht had te komen. Knottenbelt beaamde dit, maar Meinders was niet direct gekomen. Hij had volgens de instructie na de eerste oproep moeten verschijnen en was dus schuldig. Jansen merkte op dat de instructie niet deugde en nam daarmee duidelijk Meinders in bescherming. Want daar had hij eerder mee moeten komen en niet na zo’n overtreding. De voorzitter verzocht Jansen “wiens onwelwillende toon hem koud liet, niet zulke gekke vragen te doen”. Jansen vond zelfs dat de dokter meer gedaan had dan zijn plicht was. Wethouder Hilderink was van mening dat vroedvrouw èn arts tekort waren geschoten: dus moesten beiden een berisping hebben. Over dit voorstel staakten de stemmen: voor waren Hilderink, Helmich, Heerink en Hiddink. Kelholt en Enzerink stemden blanco, de overigen tegen. De beslissing werd tot de volgende vergadering uitgesteld. Op 9 mei kreeg mej. Hilferink kreeg een vermaning omdat ze niet onmiddellijk hulp had verleend aan de zwervende vrouw. Ze protesteerde en vroeg dit in te trekken. Ook Meinders kreeg uiteindelijk een berisping al duurde dit tot 24 juni. De sluwe vos schreef direct een brief naar de commissaris van de koningin, zo bleek uit het Geheime Brievenboek:

Excellentie!

Nadat in de gisteren gehouden Raadsvergadering de modelin­structie van de N.M. van de gemeente was voorgelezen, ondervond zij veel tegenhouding van de zijde van de burgemeester. Op voorstel van D.J. Jansen werd in stemming gebracht, deze nieuwe instructie aan te nemen, zo noodig met eenige kleine wijzigingen, wanneer de Raad dit noodzakelijk mocht achten. Dit voorstel werd aangenomen met op één na algemeene stemmen. Dit was de burgemeester niet naar wensch. Hij deed, alsof geene beslissing genomen was, haalde de oude instructie weer voor de dag, bepraatte de raadsleden dat deze toch wel beter was en liet thans door den Raad deze oude instructie met een kleine wijziging aannemen. Excellentie, ik meende aan Uw oordeel te moeten onderwerpen, of deze wijze van handelen van de burgemeester correct is. Met deze oude instructie zal er elk oogenblik een stok kunnen gevonden worden om den hond te slaan. Beleefd kom ik U vragen, Uwe macht te willen aanwenden opdat het voorstel dat toch met bijna algemeene stemmen werd genomen de nieuwe instructie aan gemeentegeneesheer en vroedvrouw te geven, van kracht te doen blijven. Ondertekend A. Meinders

De commissaris liet de burgemeester niet direct vallen, want hij stuurde een brief naar Knottenbelt, waarin hij bovenstaande letterlijk citeerde... Hij verzocht aan Knottenbelt om te reageren, en dat was een kolfje naar diens hand. Hij verklaarde dat Meinders waarheid en leugens met elkaar vermengde. Knottenbelt deed uit de doeken hoe het werkelijk was verlopen tijdens de raadsvergadering:

Op voorstel van raadslid D.J. Jansen was door de Raad besloten de instructie der Maatschappij ter Bevordering der Geneeskunde als model te gebruiken en door haar aan te vullen met die bepalingen, welke de Raad speciaal voor de gemeente Hengelo noodig oordeelde. Toen bij artikelsgewijze behandeling van de model-instructie bleek dat het aantal wijzigingen zo groot was dat een goede redactie onmogelijk werd, en bovendien de strekking der nieuwe instructie weer dezelfde werd als die der bestaande, besloot de Raad toch de laatste in haren vorm te handhaven, met alleen de wijzigingen die men verlangde. Zelfs D.J. Jansen, die zich als pleitbezorger voor Meinders had opgeworpen, kon hier niets tegen inbrengen. Hij verzette zich niet tegen intrekking van het oorspronkelijke besluit. Dat ik deed alsof geene beslissing in tegenovergestelde zin gevallen was, gelijk Meinders te kennen geeft, is derhalve onjuist. Zoiets zou trouwens niet door den Raad worden geduld.

In verband met de opmerking door U gemaakt tijdens Uw laatste bezoek aan de gemeente, dat in de toenmaals bestaande instructie de dokter teveel aan de willekeur van de burgemeester was overgeleverd, heeft de Raad op mijn uitdrukkelijk verlangen het eenige artikel waarin hiervan sprake zou kunnen zijn, in dien zin veranderd dat de beslissing niet meer aan de burgemeester maar aan B&W is opgedragen.

Waar Meinders insinueert dat de thans van kracht zijnde in­structie aanleiding zou geven tot willekeurige handelingen tegenover hem, berust die mening op eene fictie. Noch de Raad, noch B&W, noch de burgemeester hebben de bedoeling den gemeentearts moeilijkheden in den weg te leggen. Maar wat de Raad wel wenscht, en ik met hen is een waarborg dat de gemeente­arts, de man die belast is met den armenpraktijk, en daarvoor ruim bezoldigd ook inderdaad de diensten presteert die in redelijkheid van hem verlangd worden. Een waarborg, die althans ten opzichte van Meinders hoognodig is.

Arend Merinders RaadhuisstraatWoonhuis dr. A. Meinders.

Wijziging van de instructie

Op 30 september werd toch een gewijzigde instructie voor gemeentegeneesheer vastgesteld. Ook de vroedvrouw kreeg een nieuwe voorgeschoteld. De dokter kreeg voortaan nog maar 30 cent vergoeding per recept voor het verstrekken van medicamenten aan armlastigen. Dit was 20 cent minder. Meinders probeerde daarna zijn recht te halen via de Inspecteur der Volksgezondheid, Dr. J.C.I. van der Hagen in 's Hertogenbosch. Meinders had weer pech dat ook deze functionaris om opheldering vroeg bij Knottenbelt. De inspecteur schreef dat hij het eens was met de veranderde instructie en dat hij hoogst verbaasd was over enige opmerkingen van Meinders. De huisarts viel vooral over de bepaling “grof plichtsverzuim zal onmiddellijk ontslag ten gevolge kunnen hebben”.

Knottenbelt antwoordde als volgt: In antwoord op de missive van 16 november van U deel ik U mede dat ik mij Uwe verbazing over het onware schrijven van de heer Meinders levendig kan voorstellen. Het schrijven van de heer Meinders toont al weer aan, dat de strijdmiddelen waarvan hij zich bedient, niet bepaald van de edelste zijn. Zijne onbetrouwbaarheid komt hierdoor weer eens schitterend voor den dag, en juist die instructie is het, dat die eene strenge instructie noodzakelijk maakt. Ik vertrouw erop U met dit schrijven te hebben aangetoond, dat hier inderdaad een 'misverstand' heeft plaatsgehad, al is dat dan ook misschien door de firma Meinders & Co opzettelijk in de wereld gebracht.

Dat “firma Meinders & Co.” getuigde van weinig respect en diepe minachting.


Ontslag als gemeentegeneesheer

Voorlopig was de kwestie hiermee afgedaan. Een jaar of tien later kwam het onder Reijnst weer aan de orde in de raadsvergadering van 26 januari 1921. Morsink kon de aanleiding hiertoe niet ontdekken. In notulen van betreffende raadsvergaderingen was niets te vinden, zodat hij tot de conclusie kwam dat het in het geheim behandeld moest zijn. Gedeputeerde Staten werd hierbij misleid, want deze zouden niet anders geweten hebben dan dat het in het openbaar was behandeld. Desalniettemin bleek het ernst te zijn. G.S. keurde een raadsbesluit tot ontslag van Meinders als gemeentegeneesheer goed. Dit werd op 16 juni 1922 bekend gemaakt. Meinders was daarmee niet meer in dienst van de gemeente en voortaan een ‘vrije’ huisarts. Hij ging zelf accoord met het ontslag, omdat de Pensioenraad hem over de 32 dienstjaren pensioen verleende en de gemeente zich verplichtte het verschil tussen pensioen en salaris als gemeentegeneesheer te vergoeden. Daarmee behield hij zijn oude salaris, zonder daar iets voor te doen! Aangezien hij tot 1956 in leven bleef, heeft deze afspraak veel geld gekost voor Pensioenraad en gemeente. Bij zijn overlijden was hij zeer draagkrachtig, aldus Morsink. Deze ambtenaar schreef verder over hem: Meinders had politiek gezien zeer liberale opvattingen. Hij was erg hebberig en liet zich niet opzij schuiven. Tot aan zijn einde was geld en nog eens geld zijn voornaamste zorg.


Meer over Meinders

In mei 1919 zorgde Meinders tijdens de vergadering van de Geneeskundige Kring in Zutphen voor een vermakelijk incident. Hofstede opent de vergadering, waarna de notulen worden voorgelezen en goedgekeurd. Hierna steekt de heer Meinders een sigaar op, hetwelk in verband met de aangekondigde rookverbodmaatregel een kort, ietwat ontstemd debat veroorzaakt.

In 1920 leefde Meinders opnieuw in onmin met de raad, die het plan had opgevat de Kerkstraat te verbeteren door verbreding en riolering. Meinders schreef een protestbrief namens meerdere inwoners. De kosten van ƒ60.000 zouden een belastingverhoging betekenen en daar was een bepaalde conservatieve groep fel tegen. Hij vond een verbetering onnodig. Verkeer naar Ruurlo kon ook door de Polsbroek (later Regelinkstraat), het Kreunenstraatje (Marktstraat) of door de Raadhuisstraat langs Langeler. Ook uit schoonheidsoogpunt mocht het niet doorgaan. Het was een echt dorpsstraatje dat een eigenaardig cachet gaf aan Hengelo als dorp. In dat laatste opzicht had hij vermoedelijk wel gelijk.

Vele oudere inwoners van Hengelo herinnerden zich de huisarts nog goed. Vooral de T-Ford waarin hij zich stapvoets voortbewoog stonden in de geheugens gegrift. “Die moest hij eerst aanslingeren, vervolgens reed hij dan vol gas, maar zeer traag weg”.

Vanaf 1908 was er meestal nog een praktiserende huisarts in Hengelo, maar geen enkele meer in dienst van de gemeente. Van Ingen was de eerste collega (of concurrent) van Meinders, daarna volgden De Rooy, Domisse, Dwars, Beems, Ter Bals en Schreuder.

1948 1 huldiging marktver.foto ECAL

Lange tijd was Meinders voorzitter van de Marktvereniging.

 

1948 2 huldiging marktver.foto ECAL

In 1948 werd hij gehuldigd (50 jaar marktvereniging).

In 1956 stierf Arend Meinders op 92-jarige leeftijd

Het pand aan de Raadhuisstraat werd later (helaas) gesloopt. In 1958 werd het aan de gemeente te koop aangeboden door de nabestaanden. Hoewel toegegeven werd dat het op het mooiste punt van het dorp stond en geschikt was voor bewoning van meerdere gezinnen of bebouwing van meerdere huizen, vond de raad het te duur. Nu is op die plek een appartementencomplex gebouwd met de naam Meindershof.


Afbraak woonhuis Dr.Meinders HJ Afbraak woonhuis dr. A. Meinders.

A. Meinders arts te hengeloHet graf van de familie Meinders op de Algemene begraafplaats in Hengelo Gld. Foto: H.M. Somsen.



Website opmaak: H.M. Somsen.

GROEPSGESPREK OUD-HENGELOERS  1999

www.oudhengelo.nl

Eerder verschenen op de website www.oldhengel.nl                                                
Door Willy Hermans.


Website opmaak voor www.oudhengelo.nl  H.M. Somsen


Gesprek 6 juli 1999 in de Bleyke met Jaap Hulshoff (77, initiatief), Jan Lubbers (83), Roel Kreunen (67), Hentje Voskamp-Starink (83) en Bart Kroesen (82).  Ondervrager: Willy Hermans, naar aanleiding van boek Daar midden in de Graafschap.

Onderwerp: Old Hengel

Allerlei onderwerpen uit de periode 1920-1970

Ds. Barbas: een militair, zeer streng. Hield precies bij wie niet in de kerk kwam en zei dat betrokkene ook. Hield dan persoon aan en zei: hier staan ze wel, maar 's zondags in de kerk zie je ze niet".

Dries Kremer, timmerman, liep met kar vol hout. Kwam Barbas tegen die zei: "Dag Dries". Dries antwoordde net droogjes: "Dag Jan". Lijkt simpel, maar niemand sprak dominee met voor­naam aan.

Zijn vrouw Sara Brieët liep altijd 50 meter achter hem.

Niet bij iedereen boezemde hij ontzag in. Op 't Zand werkten kolenbranders uit de Veluwe. Als Barbas dan zei: "ik ben de dominee", zeiden ze koeltjes terug: "wat kan mien dat verdommen". Evert van de Kolk kwam daar nog vandaan.

Adriaan Weg. Winkeltje naast Raterink. Had een groot 'maga­zijn' op deel vol dozen en troep. Soms zocht hij iets en pakte dan alle doosjes uit. Cato  riep dan: "Ajan, ie pakt toch niet alles weer uut?".

Het was een typisch dorpsfiguur met vreemde gewoontes. Zo was hij in staat om in het holst van de nacht bij volle maan met zijn kruiwagen naar zijn stukje land achter Kelholt te lopen.

Hij was ook heel zuinig, als hij maar iets voor niets kon krijgen. Als je bij hem vroeg om kersen te mogen plukken, was de helft voor hem, maar hij dan al lang gezorgd dat het beste weg was.

Langs Bruil en Raterink liepen paadjes naar Kreunen.

Met markten en kermissen kwamen marechaussees uit Ruurlo de zaak een beetje in de gaten houden, want er waren dan veel zatlappen en zigeuners, en van de veldwachters kon men niet al te veel verwachten. De marechaussees stonden strategisch opgesteld op de hoek bij Kremer. Dat was ook een verzamelpunt voor jongeren, net als bij Taken ('pindabasten').

Van de zigeuners had men veel last. Als er wat het dorp bin­nenkwamen werd iedereen gewaarschuwd. Alle kippen en andere loslopende dieren werden binnengehaald. In winkels was men extra verdacht op diefstal. Ze waren heel gehaaid, hielpen zogenaamd met muntjes tellen. De woonwagens werden vaak bij de Lange Wagen geparkeerd.

Als ze in een café zaten en een kind moest plassen, pakte ze die bij de klamotten en hielden die buiten de deur. Althans zo wordt het verteld.


Toon Kroezen Antoon Kroesen, nachtwacht van 1913-1949.


Toon Kroesen
, de nachtwacht vertelde nooit wat hij 's nachts meemaakte en daarmee zijn waarschijnlijk veel fraaie anekdotes verloren gegaan. Hij liep zijn ronde van 11 tot 4. Hij moest ook de lantaarns langs om ze aan te steken. Daarvoor had hij een ladder bij zich. Veel licht gaven ze niet. "Ie liep d'r net niet tegen an". Lantaarns stonden bij Berendsen de kruide­nier, dr. Meinders, Kervelseweg.

Ter controle moesten ze klokjes opdraaien aan de buitenkant van het dorp: bij de boterfabriek, bij Van Soest (Jentha). Die leken op een oude griffeldoos. Zo kon men controleren dat de rondes volledig gelopen werden. Kennelijk zijn er wat nacht­wachten geweest die dat niet deden.

Electrisch licht kwam in 1922, maar de lantaarns waren nog niet direct verdwenen. In advertenties stond toen wel bv. "electrische bakkerij".

Het was veldwachter Bakker (volgens Bart) die via de rug van Kroesen de boterfabriek binnenkwam toen er verdenking van inbraak bestond. Het was een soort batterij (lamp) die wat flikkerde.

Kroesen ging ook rond met verkopingen en veilingen e.d.


Gerard Bretveld Klepperman Gerard Brekveld, klepperman.


Een andere nachtwacht was Gerard Brekveld, Gerard van de Broekse. Woonde Kervelseweg. Brekkie (brandweer), was een zoon van hem, ook al zo'n bijzondere. Hij was fietsenmaker bij Luimes; plakte banden in de oorlog op weg naar Witkampers.

Een broer van de nachtwacht was Hendrik, die woonde aan de Wichmondseweg.

Gerard was ook kapitein van de bielemannen. Als hij een mededeling aankondigde ging dat zo: "in naam van de koningin - hu peerd - prins Hendrik van Mecklenburg - hu toch peerd - is overleden."

Langeler had een oorlogspaard gehouden, een heel vreemd uit­ziend dier, omdat het een oog kwijt was.

Toon Keizer ging altijd met loten van de marktvereniging rond. Eigenlijk was het een raadsel hoe hij dat deed, want hij kan lezen noch schrijven, laat staan rekenen. Toch verkocht hij er elk jaar duizenden. Hij ging daarvoor huis aan huis de deuren langs, ook buiten Hengelo; op de markt in Doetinchem en zo.

Hield zelf altijd nr. 1, dat lot was lichter van gewicht.

Op de bewaarschool was juffrouw Antje (Versteege, een tante van schoonzus van tante Henny). De school stond naast het gemeentehuis, voor Grootbod. Er stond een buurtpomp bij (eigenlijk van Eylenberg), die staat er nog. Juffrouw Antje woonde daar ook bij in de school, ze was vrijgezel. Ze had 2 pleegkinderen: Alie de Kreek en Mientje Masselink.

Ze was er mooi druk mee, want ze moest ook de katoenen luiers verschonen. Die hingen aan een lijn door de klas heen. Er was 1 bewaarschool voor alle kinderen: katholiek, protestant of anderszins.

Een swaps er brand bij Kremer. Toevallig aanwezige jongens uit Vorden wilden helpen met de emmers, waarop ze van de Hengelose brandweer te horen kregen: "Wegwezen, dit is onze brand".

Visafslag, oftewel de winkel van Brekveld. Die duurde tot de oorlog; daarna deed Prins het. De vis kwam uit IJmuiden, soms klonk het: "Storm op zee, geen aanvoer". De vis ging in manden per trein tot Zutphen, daarna met de tram. Het meest schol, ook koolvis en wijting. De tram stopte voor het Kreunenstraot­je. Gert Lenselink was de afslager, zijn zoon woont nog aan de Regelinkstraat. Hij haalde de mand met vis eruit met een kruiwagen die onder een bak werd geschoven. 4 schollen gingen op een deksel en dan klonk het "mat - schol".

Het begon met bv. een gulden en dan naar beneden tot iemand "mijn" riep. Wereldberoemd is het verhaal van Aäron Meyers die door kwajongens met een naald werd geprikt en met veel te dure vis bij Rebecca kwam. Daar kreeg hij dan "door de benen".

Aäron was een arme sloeber. Maakte jute zakken, handelde wat in lompen, oud ijzer en vellen. Zijn dochters Nanny en Roos moesten naar Zelhem lopen om een nuchter kalf op te halen.

De Kervelseweg heette de "sikkestraot". Niet alleen omdat er veel sikken waren, maar aan het einde woonde Maalderink die een bok had, waardoor menig sikkenbezitter door de Kervelseweg liep, om de sik ter dekking aan te bieden bij de bok.

Naar aanleiding van dit de volgende anekdote:

Jantje komt te laat in de klas. De meester vraagt:

"Jantje, waarom ben je te laat?"

- "Ik moest met de sik naar de bok, mees­ter".

"Kon je vader dat dan niet?"

- "Nee meester, dat moest de bok doen".

Bokken kon je voor niets van Sanderman krijgen, die kosten alleen maar geld.

Hetzelfde was het een poosje met biggen (1e WO?), die toen niets waard waren. Dan kwamen sommigen met meer biggen thuis dan ze gegaan waren. Kostte alleen maar geld (voer).

Nölle Wolsink. Stapelbroek (nu Waenink) was eens aan het slachten toen Nölle van school kwam en het eens ging bekijken. Stapelbroek stond net klaar met de pin in het masker om het beest dood te schieten. Precies op het moment dat Stapelbroek schoot, werd Nölle door een hond gebeten en schreeuwde het uit. Stapelbroek schrok zich lam, dacht dat hij Nölle had geraakt en vloog naar buiten: "Waor he'k oe geraakt, waor he'k oe geraakt?"

Nölle woonde naast de Roos, waar nu de apotheek staat. Onder De Roos zaten spekkelders, en zitten er nog.

Bij Jansen de Roos heeft zich heel wat afgespeeld. Hij organiseerde enige jaren een verloting. Hij sjoemelde met de prij­zen. Van een rol linnen maakte hij er 2; de 'villa's' die hoofdprijs waren, lootte hij altijd zelf of familie of knecht.

In de winkel vroegen ze "He'j varkenspeute? Dan ku'j vast slech lopen". Het was een winkel met koloniale waren. De 'Duitse vrouw' stond daar ook in. Leenen en Reinier Arendsen hielpen er ook.

Dochter Mina was getrouwd met Nöthorn. Zij liep mank.

Jansen was zeer zuinig.

Jan Oortgiesen was melkboer. Onder de kar zat, tussen de boter, een hokje voor de trekhond. De gebroeders Jansen van de Brouwersmolen hadden ook zo'n trekhond met kar, die paste precies op de tramrails. Hij woonde hoek Hofstraat/Regelink­straat.

Bij Windmuller (dus voor 1919) was een brievenbus. Jongelui haalde daar een paar maal kattekwaad uit: ze piesten door de brievenbus. Roel Kreunen hield de klep hoog, terwijl Jan Oortgiesen er door plaste. Op dat moment kwam veldwachter Wisselink er aan, Kreunen liet de klep los en Jan zat er met z'n kleine derkman tussen. "Ik was net an de beurte", jammerde hij nog tegen de veldwachter.


Hoogstraat Raadhuisstraat 1911 L A.Jacobs manufacturen WLRaadhuisstraat 1911 links A. Jacobs manufacturen.

De tram hoorde je van verre aankomen. Bij Berendsen op de hoek stond een scheve paal. Iedereen pakte daar aan vast bij het nemen van de bocht. Jongens smeerden er dus steeds wat op: hondenkeutels e.d.

Machinisten waren Kistemaker, Onstein (woonde Horstink), Hazen-Jan Regelink. Conducteur waren (later) Bloemendaal, Spieker, Thomassen. Kistemaker kon zo enorm overdrijven. Alles was bij hem altijd veel groter. Toen koningin Wilhelmina in 1924 in Zutphen op bezoek kwam, beweerde hij dat toen hij zei: "dag Koningin", zij antwoordde: "Dag Kistemaker".

In 1939 ging de tram naar de GTM. Een poosje was er de electrische tram. Peter Wilten was de werkmeester op de werk­plaats. Later ging hij naar Doetinchem en werd tekenaar bij de NEMAHO. Is pas overleden.

Bij het Groot Graffel gingen alle passagiers in een bocht aan één kant zitten, dan schaafde de tram net langs een boom.

In Vorden stopten ze wel eens bij Brandenburg, zeker met Kistemaker als machinist. Na een paar borrels, ging het in hoog temp naar Hengelo, want het was kermis. Bij de Spannevo­gel ging het mis, de tram vloog uit de rails, midden in de tuin. Net 12 uur liep de tram weer binnen, de kermis was net afgelopen.

Ook bij Eli Langeler (hoek Vordenseweg) vloog de tram wel eens uit de bocht. Tegenover de HCI is Chris Lubbers daar (ook met de kermis) al eens verongelukt. Hij schuilde tijdens een onweer onder een wagon, toen Wolterink met een auto er tegen aan botste. Chris kreeg een rad over zich heen.

Gerbscheid ('Scherpscheit') woonde aan het begin van de Ruur­loseweg (Meulenbrugge). Hij was een vervelend mannetje. Jon­gens zaten hem altijd uit te dagen. Op weg naar de tekenschool (in de OLS) bonkten ze op zijn vensters. Hij sloeg er toen spijkers door heen.

Gooide aalt over woonwagenbewoners, sneed stukjes leer net niet helemaal door, gooide een bakkei door een bovenlicht net toen oom Olbert en tante Rieka een bord soep aan het eten waren.

Stropen. dat gebeurde ook op het kerkhof, daar zat veel wild (konijnen, hazen) die daar rustig hun holen groeven.

De gebroeders Arendsen jaagden met fretjes en zelfs een vos. dat ging net zo goed als een hazewindhond. Het waren 5 broers, alleen Reinier is getrouwd.

Hiddink was een groenteboer met tweederangsspul: kroten, kool. Hij had zijn vaste klanten, die zich verplicht voelden wat af te nemen. Eens kwam hij bij dr. Dwars, midden in het spreek­uur. "Kleed je maar vast uit, ik kom zo", kreeg hij te horen en hij gehoorzaamde keurig. Daar stond hij spiernaakt, toen dr. Dwars vroeg: "Wat is er aan de hand". Hiddink antwoordde droogjes: "Ik wol wetten of i'j nog eerdappels mos hebben"...

Bij Kreunen ruilde hij altijd groente voor brood.

Ook de gebroeders Taken (Jan en Bernard) waren dorpsfiguren. Zij karden ook door het dorp met groenten, maar Jan was ook doodgraver. Tijdens een strenge winter kwam hij bij Kroesen, want hij de grond was zo hard bevroren, dat hij geen gat kon graven. Kroesen hielp hem met een bijl, door de grond zo ver af te slaan, dat de vorstlaag er af was.

Hun winkeltje was niks, de jeugd kwam er samen om pinda's te eten; het lag er altijd vol met 'pindabasten'.

Dr. Meinders trok volgens de verhalen tanden met een knijptang. Als een tand afbrak en bleef bloeden kon je in het ziekenhuis terecht komen.

Hij had een prachtige auto: een Peerless. Rijden kon hij niet. In de garage liet hij de auto, na met een slin­ger aange­draaid te hebben, warm draaien door vol gas te geven. Hij stoof dan uit de garage om eenmaal op de weg bij het gemeente­huis heel traag verder te sukkelen.

Daarvoor had hij een rijtuig, die in een soort stal stond met 2 deuren. Later werd dat spreekkamer. Hij had wel een goed middeltje tegen struma, van heinde en verre had hij klanten.


Dr. Andries van Ingen Huisarts Hengel en ZelhemAndries Siman van Ingen, huisarts.


Ook dr. van Ingen heeft hier zijn praktijk gehad. Toen die in Zelhem zat, hield hij nog een poos een keer per week zitting (plek huidige apotheek?). Dat was toen heel gewoon, later deden tandartsen dat ook lange tijd: Japing bij Lebbink; Van Dijke bij Michels. Daar moest je een gevaarlijke trap op.

De Dickmann's kwamen in de 1e WO hier naar toe vanuit Duitsland. De oude Jan (van het hotel) stierf jong. s Avonds zoop hij zich klem; hij zei vaak dat was vanwege een groot verdriet, wat heeft hij nooit tegen Bart verteld.

Zij waren familie van Hoekert, ook al zo'n dorpsfiguur. Ging ook met kar rond, met van alles erin, tot kippen toe.


Bakker Kreunen Hengelo nu museum 40 45 GW jpgBakker Kreunen.


Kreunen.
 De zaak had Ute (ook R.) Kreunen met zus. Vader van Roelie was Roelof, een zoon van Herman, die café/bakkerij op hoek Spalstraat/Raadhuisstraat had. Herman dronk teveel, deed de zaak van de hand en werd bakkersknecht bij Ute. vader Roelof was her en der al knecht geweest en nam later de zaak over. Steeds R. op R. op R., vanaf 1820.

Boeren bakten vroeger hun roggebrood bij de bakker: "loonbak­ken". Ze brachten hun brood in een kruiwagen. De broden gingen in de oven, die soms zo vol zat, dat het een heel gemik was.

Ze bleven wachten voor de open haard, waar de verhalen los kwamen, al spuwend met pruimtabak. De vrouwen hadden daar een hekel aan, het was een smeerbende. Moeder had een kistje met zand neergezet, waar ze in konden spugen, maar de boeren bleven er naast spugen, waarna moeder het kistje dan weer verzette, zodat ze er beter in konden mikken. Tot een boer het begon te vervelen en zei: "A'j dat ding nog één keer verzet, spi'j ik oe d'r middenin".

De boeren kwamen 's zondags, zetten de fiets achter de zak, gingen naar de kerk en kwamen na de dienst weer terug om een borreltje te drinken, en spoms wat boodschappen meenamen. Moeder maakte daar een eind aan.

Dat gebeurde heel veel vroeger, zo ook bij Jan Scholten. Als je een trapje opliep, kwam je in en lange kamer met een lange tafel. Daar zaten heel wat boeren, die aan het eind van de dag (!) een kar vol boodschappen mee naar huis namen.

Smit was een 'slimme' politieagent. Vader Kreunen vluchtte eens voor hem, hij had geen belastingplaatje aan z'n fiets (voor een knaak had je zo'n ding, dat meestal aan het stuur bevestigd was). Smit hem achterna en pakte hem. Toen bleek dat Kreunen het plaatje gewoon op de fiets had.

Jaap Meijers kwam vaak met de brommer. Kwam vaak in de keuken en snaaide wat mee. Eens had vader wat mislukt gebak op een plaat staan. “Mag ik daar één van?” vroeg Jaap. “A'j ze allemaol op-et, krieg i'j 't veur niks”, zei vader. Jaap kwam tot een stuk of zes, die hij bij vertrek keurig betaalde...

Jaap kwam vaak, had altijd sterke verhalen.

Het was hard werken, met lange dagen, maar we hadden altijd schik. Altijd gedoe met vertegenwoordigers, waar vaak rare snuiters tussen zaten.

Tinus was een stoelenmatter uit Doetinchem. At een spekbokking met huid en haar op.

Tijdink had een koffieroom. Bij onweer was zo'n roomhoorn hardstikke zuur. Gosselink at hem toch op: “He'j deze soms van karnemelk gemaakt?”. Toen het antwoord bevestigend was, nam hij er nog een...

 

 

GROEPSGESPREK OUD-HENGELOERS  1998

www.oudhengelo.nl

Door W.J.M. Hermans, 1999                                                                               
Dit artikel is reeds eerder geplaatst op de website;www.oldhengel.nl


Website opmaak voor www.oudhengelo.nl H.M. Somsen.

 

Gesprek 28 januari 1998 ten huize van Gert Bruggink, Meidoornstraat, waar ook aanwezig zijn vrouw Diene en verder broer Geert en Gé Bruggink, alsmede Jaap en Jo Hulshoff-Bretveld. Ondervrager Willy Hermans. 

 

Allerlei onderwerpen komen aan de orde die met café De Zon, de familie Bruggink of oud-Hengelo te maken hebben. Een beetje bij elkaar gezet per onderwerp. 


Café De Zon allerlei:


Cafe De Zon HJ
Cafe de Zon.


Pa Bruggink was eerst met een Hulstijn getrouwd. De bewoner van het café, Voskamp, was met een zus van haar getrouwd. Hij trouwde er bij in. Het was al een heel oud cafe, hoe oud precies is niet bekend.

Vader kwam van platteland. In het cafe kwamen veelal jagers en stropers, en boeren.

Het cafe zat aan de voorkant rechts. Links was de slaapkamer. Achter was de deel. Woonkamer en keuken waren een geheel. De zonen sliepen bij elkaar. De eerste werd in bed gelegd, bij een volgende moest de eerste opschuiven. Sommige van de broers moesten wachten tot de klanten uit het cafe waren. Een bedstee grensde aan het cafe.

Gertje Luimes zat er tot na sluitingstijd, waarop aan Gert werd gevraagd: "Zo'j niet 'ns naor huus toe gaon?" "Nee", zei de bijdehante Gert, "de dokter hef 'ezeg, dat ik völle in de zon mos zitten"!

Berend Blom kwam vaak in het café. Hij was een opschepper. Eens roemde hij de leverworst van slager Raterink, waar hij net een stuk had gehaald. Henk Onstenk zei daarop: "dat lijkt me ook wel; ik haal ook zo'n stuk leverworst". Maar deze liep uiteraard niet naar de slager aan de overkant, maar haalde de worst uit de fietstas van Berend. De worst werd binnen vrolijk opgedeeld (Berend vroeg zelf aan Diene om een mes) en heerlijk opgepeuzeld. Berend: "Zie je nou wel dat het lekker is". Wat natuurlijk volop bevestigd werd. Toen Berend naar huis toog en de grap ontdekte, lag het hele café natuurlijk dubbel van het lachen.

Zo haalden ze (Joop Engbers) ook een geintje met Berend uit toen hij kievitseieren in zijn pet had en deze verwisseld werden voor eierkolen. Hij wilde ze laten zien aan Gert Jan Harmsen.

Berend moest er steeds aangeloven. Vooral op zaterdagmiddag was het altijd druk en werd er al op Berend gewacht. Bij een truc met drie lucifers trapte hij er steevast in.

Hij wist het zelf ook wel, dat ze hem moesten hebben, maar zat er niet zo mee.

In het dorp was tot 1951 geen enkele tv. Bij Bruggink kwam de eerste. Oom Bernard Hulshof (Ruurloseweg, radio's en fietsen) zorgde voor het toestel. Gert Harmsen, de smid en buurman, zorgde met 6 man voor de plaatsing van de antenne op het dak.

Zoveel jeugd kwam toegestroomd, dat de groepen gesplitst moesten worden, de een op woensdagmiddag, de ander op zater­dagmiddag. Een hele rij klompjes stond dan voor de cafédeur.

Het bedienend personeel moest bij interlands naar buiten om de kelder te bereiken en om de klanten te bedienen. Na rust moest er omgewisseld worden, de achtersten naar voren. Het zag zwart van het volk in het kleine oude cafeetje. Met 50 man zat het al propvol.

Verhaal (Geert): er was eens wat gestolen. Bij toeval bij wandeling opgemerkt (niet geheel duidelijk). Geert was net uit ziekenhuis. Bij Michels en Bruinderink waren ook sigaretten en shag weg.

Voor het begin van een bruiloft in de zaal kwam een zoon bij Geert klagen dat zijn vader altijd stomdronken thuis kwam na zo'n feest. Of hij hem een beetje in de gaten kon houden.

Wat bleek? Als iedereen aan het dansen was, dronk hij alle borreltjes snel leeg; alles door elkaar cognac, jenever. Dus dat was snel verklaard.

Ooit zat een man zingend op de wc, stomdronken natuurlijk. De schoonmaakster vond hem. Hij wilde er niet uitkomen. Jan lichtte de deur eruit. De politie werd gebeld. Die brachten hem naar huis, vlakbij Wullink in de Voort. De politie bleek hem bij het verkeerde huis af te leveren. De vrouw werd uit bed gehaald.

Een van de jongens Arendsen was ook eens zat. Hij was in de kleedkamer (?) in slaap gevallen. Hendrik bracht hem thuis en legde hem in bed.

Chris Knol was ook vaste klant, al dronk hij nooit veel (een flesje bier of zo, maar Geert had dat soort klanten net zo lief. Eens zat hij samen met Arnold Luimes aan de tap. Beiden lustten wel een plak leverworst in zuur (jach), maar hadden geen geld. Chris zei, er wel drie te lusten. De jongens daagden hem uit: wij betalen als je ze alle drie opeet.

Na twee plakken stopte hij plotseling. Jongens, ik stop ermee, want het is vasten. En ging naar huis.

Arnold had het ook niet breed, en keek heel zielig naar het laatste plakje. Die hebben we toen maar meegegeven.

De meesten hadden nog geen telefoon. Dan werd er in de gang in het cafe gebeld. Eens waren Hendrik Dieperink, Wissink, Gert Jan Harm­sen en Dorus Jansen Overmaat bij elkaar. Wissink wilde bellen. Het lukte hem niet, omdat Geert een knop ingedrukt hield. De een na de ander probeerde het, maar tevergeefs. Dorus Jansen werkte bij de PTT en wist dat ik een knop indrukte. Maar toen hij het wel even wilde laten zien, drukte Geert ook snel de knop in. Hij ging af als een gieter.

Eens was een fiets gestolen. Politie gebeld, snel ter plaatse. Van Petersen kwam met zijn zijspan. Richting Doetinchem gezocht. Maar al snel bleek dat Willem Hilferink hem even had geleend om naar Gert Lubbers, knecht bij Harmsen de smid, te fietsen, waar de fiets stond. Politie voor niets erop uit gestuurd.

In het cafe kwamen veel stropers. Ze legden hun geschoten wild achter de grote kachel of in de kelder en dan kwamen de verha­len. Het ene nog mooier dan de ander. Of ze hadden een tientje gebeurd en kochten daarvoor een paar borrels.

We verkochten veel drank door meegebrachte flessen te vullen. Er stond een vat met 100 liter brandewijn en een net zo'n groot vat met jonge jenever. Dat werd ongeveer evenveel gedronken. Het was van oudsher een boerencafe. Als de boeren naar de kerk gingen, lieten ze daarna in het cafe de fles vullen en bleven dan even zitten aan de lange smalle stamta­fel. Een sigaar kregen ze er dan bij.

Ook in de winkels was het vaak zo: als ze de (jaar)rekening kwamen betalen, kreeg de betaler een borreltje met sigaar.

Hein Bruggink kwam na het stropen eens langs Arie van de Berg. Arie vroeg of Hein in het dorp de nieuwjaarskaarten op de bus wilde doen. Hein vergat het helemaal en vond ze een jaar later pas terug. Hij deed ze toen op de bus, zodat iedereen een verlate groet kreeg. Arie heeft het nooit gemerkt.

Ruzie was er zelden. Geert heeft er wel eens wat uitgegooid. In de tijd van trammelant bij Pax stuurde hij Theet Lankhorst en Han Lebbink wel weg, dat hebben ze hem nooit vergeven. Geert wilde zich er gewoon niet mee bemoeien.

Eens vroor het dat het kraakte. Riek Denkers (zus van Gert aan de Lankhorsterstraat): Ik wordt nooit meer warm; ik ga op de kachel zitten, zo'n hoge kolomkachel.

Gert Denkers (hoek Kastanjelaan, Banninkstraat) was de scheer­baas. Hij ging vooral langs cafe's. Hij had een knijptang bij zich als ‘alibi’.

In de oorlog was er op een moment haast geen jenever meer. Michels bracht een hoeveelheid jenever  mee uit Schiedam. 50% moesten we aan de Duitsers geven van hem. Alle cafehouders hebben het gedaan, behalve ik.

Na de oorlog wilde ik verhaal halen, maar toen werd gezegd: wat geweest is geweest, we begonnen allemaal weer met een schone lei. (algemeen de opvatting toen).

Geert heeft in de crisisjaren gevent voor bakker Willink en ook Demming. Op de volgeladen fiets vol 8-ponders en 16-pon­ders op weg naar Bekveld slipte en viel hij bij Hissink het Witte Paard. Het waren allemaal slechte zandwegen. Daar lag ik. Ik kwam niet meer overeind. Klompenmaker Garritsen hielp me overeind.

Het cafe was ook uitleenbedrijf voor fietsen. Als mensen familie in bv. Bekveld wilden opzoeken, dan kwamen ze met tram of bus en leenden dan bij ons een fiets. Op de terugweg zetten ze hem er weer neer. Dat ging zo, zonder betaling, afspraak of voorwaarden. Je kende iedereen, en vertrouwde elkaar.

Vroeger moest je met 2 getuigen kind aangeven. Die kwamen dan ook vaak in het cafe terecht.

Ach, vroeger was het ook niet erg als je dronken was. Je was met de fiets of lopend.

Broer Jan kwam eens 's nachts half 4 thuis, iets wat je nor­maal niet deed toen (moest je er al bijna weer uit). had hij even een deerntje weggebracht naar Zwolle. Bernard was het eerste uit huis. Hein, Harry en Geert sliepen in 1 bedstee. Die waren altijd groen. Met zo'n gordijntje ervoor en een gaatje erin. Gert sliep in de bedstee aan cafe. In het cafe zat stroper Te Kulve "de Koppel". Gert droomde zo, dat hij tegen de deur van de bedstte schopte, die openklapten. Hij schrok zo, dat hij met zijn hoofd in de 'gruusbak' viel en uitriep: "De wereld vergeet".

Op den duur ging het niet meer met Geert. Hij maakte altijd zo'n 120 uur per week. En altijd dat gedoe om de klanten met sluitingsuur de deur uit te krijgen. Altijd van die figuren die tot het einde bleven zitten en 5 voor 12 nog een flesje bestelden. Zoals Leo Arendsen en Henk Onstenk.

Gerbscheid ("Scherpschijt") was een onbenullig figuur. Hij was schoenma­ker. Woonde hoek Ruurloseweg (later Meulenbrugge).

Eens kiepte hij een ton vol stront over woonwagenbewoners heen, die wat al te lastig voor zijn huis vertoefden. Bij mensen die hij minder mocht, maakte hij een snee in de schoen, zodat die later helemaal bol kwam te staan.

Huib Weg was een vrijgezelle oom van Adriaan. Huib dronk wel eens een borreltje teveel. Eens lag hij zo in een delirium achter wat vaten bij zijn huis (Buunk-Bannink, Raadhuisstraat). Hij had een geweer bij zich, waarmee hij vervaarlijk rondzwaaide. Als schoolkinderen durfden we niet langs hem heen, zodat we (Jo) te laat op school kwamen. In onze beste Hollands vertelden we de schoolmeester: "Huib Weeg wou ons doodschijten".

Adriaan Weg: Gert en Jan Bruggink en Adriaan gingen vissen. We fietsten over de Baakschedijk, die in heel slechte staat was, vol kuilen en gaten. Met een bamboestok aan de fiets fietsten we al slakkerende om de gaten heen. Plotseling schoot de bamboe­hengel van Adriaan om een boom heen. De emmer vis zat eraan. Hij stopte ze er gauw weer in. Thuis bleek de bodem eruit; had hij nog niks.

Ieder jaar had hij huishoudelijk gerei in de uitverkoop. Speciale aanbieding: aardappel­schilmesjes van 35 voor 48 cent. Adriaan woonde met tante Sophie, een zus van vader Jan Weg, de oude kuiper. Adriaan's vrouw Cato was al vroeg overleden. Ze waren erg zuinig. Ze hadden eigen gekarnde boter. Adriaan ging  soms met zaklamp naar zijn land iets verderop.

Hij was oorspronkelijk ook kuiper, maar gaandeweg raakte dat beroep eruit.

Een echt dorpsfiguur was oom Albert 'Olbert' Bretveld (oom van Jo). Hij was een arme sloeber, die teveel dronk. Hij is bekend van het verhaal van de kikvors (zie elders). Als bieleman wierp hij een collega in de Bleek met de uitdrukking: "een kikker mot zwemmen". Naast bieleman was hij vooral schoenmaker. Hij woonde aan de Ruurloseweg met zijn zus Riet (Rika). Ze verdronken alles. Ook zij lustte hem wel. Ze was in dienst bij Kerkhofs. Van de verdiensten van 15 cent per dag liet ze na haar werk bij Van de Weer haar platte flesje onder de jas vullen.

Olbert hadden ze dikwijls voor de gek. Eens toen hij sliep lieten ze varkens van hem op het schoolplein (tegenover hen) los. Daarna maakten ze hem dan 'in paniek' wakker.

Olbert liep eens met 'los' paard bij het café van Van der Weer binnen.

Later kwamen vader (van Jo) Gert bij hem wonen; ze hadden echt niks. Olbert stierf in 1941.

Naast hen woonde neef Gert Bretveld (had geen kinderen, en is altijd daar blijven wonen). De broer van vader, Jan, woonde in Zelhem.

Ds
Ds. Barbas.


Jo: Dominee Barbas was een onsympathieke man. Hij vroeg aan mensen waarom ze niet in de kerk waren geweest. Mijn vader mocht hij niet, omdat hij in de bouw werkte. En bouwvakkers waren bij hem per definitie zuiplappen, door dat pannenbier en zo. Vader dronk echter geen druppel. Toch zei Barbas tegen hem: "Jij behoort tot het uitvaagsel van de gemeente". Dat was reden waarom vader niet meer in de kerk kwam.

Polman woonde aan de Schoenmakerstraat tegenover café De Zon. Hij was een houtsleper. De grote lindeboom voor het café stond vooral voor hem in de weg. Hij moest er omheen. Bij hele lange boomstammen moest hij er zelfs een stuk afzagen.

Juffrouw Antje (Verstege) had een naai- en breischool voor de meisjes die van de lagere school af waren. Een les duurde van 5 tot 7, 4 maal per week voor 20 cent per keer.

Overdag was het een bewaarschool=kleuterschool. De meisjes moesten zich helemaal opvouwen in de kleine banken. Ook jongens hadden er 'herhalingsonderwijs'. De school stond tussen gemeentehuis en Lenselink bij de pomp, die er nu nog staat.

Bij de tram werkte Kistemaker, de machinist. Hij lustte hem graag. In Vorden liet hij de tram bij Uenk stoppen met de smoes van pech en even een knijptang te pakken. Maar ondertussen sloeg hij snel een paar borrels achterover.

Hij was een grote fantast. Hij vertelde dat hij bij een bezoek van de Koningin aan Zutphen "Dag Koningin" had geroepen, waarop de koningin antwoordde: "dag Kistemaker".

Ze hielden hem ook voor de gek. Achter het tramstation lag een stuk land, waarop hij aardappels verbouwde. Aan een bos bonden ze 40 aardappels vast, en dat was natuurlijk voer voor zijn opschepperige verhalen.

Met de tram hadden als jongens veel plezier. We sprongen vaak achterop en reden een eind mee. De tram stond altijd stil bij Wansink, wat ook meelhandel was. Daar moest opgeladen worden, wat gedaan werd door Hendrik Voskamp en Schierboom. Nu liep het daar af naar beneden richting dr. Meinders. Als kwajongens deden we een steen onder de tram, zodat hij afliep. Konden ze hem weer helemaal terugduwen.

Als er veel wagens achterzaten, konden ze de bocht bij Berend­sen niet eens halen. dan moest er eerst wagens losgekoppeld worden, en later er weer aan; een tijdrovend karwei.

Oom Ute Kreunen kon je zo ziek praten. Als je zei dat hij er slecht uitzag, dan werd hij ter plekke ziek. 

Dr.Meinders was gek op geld. Moe was veel ziek. Hij hield haar aan het lijntje met een onschuldig dropwatertje. Tot ze in de AOW kwam en hij er geen geld meer voor kreeg. Toen zei hij plotseling: ik kan niets meer voor je doen. Hij kon niets meer aan haar verdienen.

In zijn oud autootje moest Mina Bosman (dienstbode) rijden. Riek Nijland was daar ook dienstbode. Ook Tine Lenselink was daar in betrekking. Een dochter van Meinders trouwde met een Tjeenk Willink.

Riekske Kelderman had net zo'n auto als Meinders.

Bernard Cuppers was ook een apart figuur, die veel opschepte. Hij beweerde dat hij zo hard kon rijden, dat hij zichzelf op de rug kon kijken. Eens met motor tegen boom bij Zelle onderweg naar Kranenburg.

Hij woonde aan de Vordenseweg, was metselaar. Broer van Carel aan de Tramstraat. Bernard is rond de oorlog gestorven.

Met een stel stond hij vaak bij Kremer op de hoek (hangplek voor jongeren). Daar aten we pinda's na ze te doppen.

De schoolmeester waarschuwde, dat we daar niet moesten rond­hangen.

Voor de oorlog zaten een stel kerels te kaarten op de Bleek. Wij stonden erbij te kijken. Voor 3 cent haalden we voor hen een ons (slechte) pinda's bij Taken, dan kregen we er zelf ook een paar.

Berend Blom was NSB-er maar geen kwaaie. Hij heeft zelfs aan de Jood Jacob Philips aange­boden daar onder te duiken. Bij hem zouden ze nooit zoeken. Jacob was ook schilder bij Lenselink, net als Gert Bruggink.

Jacob ging niet op het aanbod in, vertrouwde erop dat hij als half-jood niet werd opgehaald. Tevergeefs, ook omdat zijn arische vader (Sammy) niet wilde tekenen.

Ook Fiepke (Philip Philips) werd gewaarschuwd, dat als hij naar huis liep gearresteerd zou worden, omdat er een overval­wagen stond. Hij wilde echter per se naar huis, want hij had geld in de zak... Hij overleefde het niet.

Bij Cohen hadden ze drie jongens: Bram, Frits en Hans.

Erna was de vrouw van de andere Jacob Philips, aan de Vordenseweg 8. Ze was oorspronkelijk Duitse. Ze was doodsbang. Als we er heen ginge, moesten we tweemaal op de ruit tikken, teken dat het goed volk was.

Aan de overkant van Jo Bretveld aan de Ruurloseweg woonden meer Joden. De families Philips en Meyers. Waaronder Lowieke, een dwerg. Hij sprong op een fiets door eerst op een kilome­terpaal te staan. Hij keek ook wel eens bij de vrouwtjes onder de rokken.

Nölle Wolsink was voorzitter van de HAMOVE. Hij stond graag met de borst vooruit. Bij een uitreiking aan Ab Oortgiesen waar ook buitenlanders waren, deed hij heel interessant: I give you the flowers... muziek...! Verder kwam hij niet.

Eylenburg was de sikkestal. Dat cafe stond bij hoog water ook vol (Weppel). Eylenburg was familie van Demming. Slodderwietske trad daar op, een kerel met zo'n stamper met bellen (spölleman) en eentje met een harmonika. Zij waren ook veel bij Lenselink.

Jansen de Roos, bij hem kon je altijd terecht voor collectes e.d. Hij vroeg dan wel wat Klem gegeven had en andersom. Ze gaven altijd hetzelfde. Wij wisten dat precies natuurlijk.

Eens was er actie voor bankjes in het dorp met stoelen en tafels. Hij gaf zo 100 gulden.

Veldwachter Bakker redde velen bij een razzia tijdens een Pax-feestavond bij Piet-op-zolder in de oorlog. Hulshoff vluchtte naar Ten Arve, een NSB-er aan de Spalstraat. Hij beschermde Hulshoff; hij was ook een goede NSB-er, geen verrader.

Zusters Bruil, woonde op Het Langeler, nu Momberg aan de Slotsteeg (achterhuis staat er nog). Het was er een zwijnenstal. Geld hadden ze in een krant gewikkeld, dat hadden ze genoeg. De muizen liepen er over tafel.

Als je noten wilde plukken, moest je het eerst vragen.

Als je petroleum kwam brengen, dan vroegen ze altijd: wie is dat? Anders kwam je er niet in. De greep stond klaar.

Zelf waren ze ook pikzwart. Ze waren zo vies dat je niet zag, dat ze haren hadden! Na het wassen in het rusthuis ging er eentje dood. de ander viel voorover in de kachel.

Een boom groeide door het dak.

Paul Pleunis was een artiest. Hij werkte eerst bij Pietbaas. Later werkte hij met Cor Sooyer (ook uit zuiden) samen als schoenmaker. Hij was bij Acht man & Co. Was ook voortreffelijk toneelspeler. had verkering met rossig type.

Hij haalde rare kunsten uit. Sliep op de bank bij Berendsen tegenover Demming een hele nacht. Tot Wisselink eraan kwam (kon je altijd horen met zijn stok) en dan sprong hij plotseling op en zei: Goedenavond.

Ook ging hij eens midden op het kruispunt bij Berendsen/ Langeler liggen, urenlang. Het (nog weinige) verkeer ging wel langs hem heen.

Als kind gingen we bij Witte in de tuin naar Concordia luisteren die daar onder de treurwilg repeteerden. Garritsen e.a.

Acht Man & Co was een soort dweilorkest van Concordia. Ze oefenden achter het huis van Simon Philips aan de Ruurloseweg. Ze liepen in een soort matrozenpak.

Met twee kwartjes ging je naar Reint Jolij. Paar potjes biljarten, een flesje champagnepils. Of limonade voor 15 cent. Met 17 jaar mocht je er nog niet in.

Totaaluitgave ¦1.05.


Hummeloseweg Cafe Lange Wagen a.d.1971 afgebroken WL Cafe de Lange Wagen


Willem en Jan Jansen van de Lange Wagen
.

Zaten vooral oude lui in het cafe. Ze reden met een vat op een lange, platte wagen. erop stond Shel, de letter l was er af. Volgens zegfgen was die gebruikt voor Lange Wagen. Met markten was het een bierhuis, maar stelde niet veel voor. Eigenlijk waren ze petroleumventers. Jan was meer doordenker. Ook bijnaam "De Karre" (Herman). De vader kwam wel eens bij De Zon brood eten. Hij belandde op het Groot Graffel.

Johan Boerman was de jongste Boerman en werkte bij Kreunen. Eerst bij Matje Voskamp, toen hij 12, 13 jaar was. Die was kruidenier aan de Hummeloseweg (nu ABN/AMRO). Deze was erg krenterig ("HaKa", een "slimmen"). Johan moest boodschappen venten, waarvoor hij een kwartje per week verdiende. Een keer kwam Johan 35 cent tekort. Van Matje moest hij dit terugbetalen, hij hield het van zijn loon in. Hij kreeg zijn kwartje niet en moest een dubbeltje betalen. Arnold (broer) ging er naar toe. Hier is het dubbeltje, maar Johan komt nooit weer. Hij was zo zuinig dat hij geen kachel aanstak. Je moest je maar warmen door te werken.

© W.J.M. Hermans, 1999

 

 

EEN ONOPGELOSTE DUBBELE MOORD

www.oudhengelo.nl

Eerder verschenen in het boek Daar midden in de Graafschap                                  
© W.J.M. Hermans, 2001 oldhengel.nl

Website opmaak H.M. Somsen.


Hengelo is in de twintigste eeuw gelukkig maar zelden opgeschrikt door zware criminaliteit, laat staan door moorden. Buiten de Tweede Wereldoorlog om was er alleen in 1919 een geval toen een dubbele moord het dorp in hevige beroering bracht. Dat werd nog verergerd door de schandalig opzichtige vorm van klassenjustitie. Hierdoor werd niet eens een onderzoek naar de hoofdverdachte ingesteld.


Kermis 1919

De kermis was in de oorlogsjaren sober geweest. De feestelijkheden konden in 1919 weer ouderwets en dus uitbundig gevierd worden. Zoals al lange tijd gebruikelijk duurde de kermis twee dagen. Op woensdag de markt, donderdags de volks- en kinderspelen met 's middags het vogelschieten op de Bleek. Veel inwoners waren hun kater nog aan het verwerken, toen op vrijdag 11 juli het gerucht van een moord zich als een lopend vuurtje over het dorp verspreidde. De Zutphense Courant berichtte nog dezelfde dag:

Moord?

Twee alleenwonende oudjes, broer en zuster, werden vanmorgen door de buren dood in hun woning, ongeveer een kwartier buiten ’t dorp staande, aangetroffen. De politie stelt in huis en omgeving een onderzoek in. Verschillende omstandigheden wijzen er op, dat hier inbraak met moord plaats heeft gehad.

’s Maandags was er meer bekend: Omtrent den dubbelen moord hier dezer dagen gepleegd, vernemen we nog 't volgende: Even achter 't landgoed 't Regelink aan een landweg ligt vrij eenzaam een klein boerderijtje, waarin wonen de 80-jarige G.J. Beumer, pas van een ernstige ziekte hersteld en zijn 84-jarige blinde zuster. Toen daar hedenmorgen de belasting-ambtenaar F. moest wezen, die alles nog gesloten vond, gaf hij daarover zijn bevreemding te kennen aan den naastbijwonenden buurman Wesselink, die daarop eens ging kijken en door een openstaand raampje de vrouw als dood op de grond zag liggen. Onmiddellijk waarschuwde hij de politie, die daarna een onderzoek in de woning instelde en Beumer eveneens dood vond. Door het parket uit Zutphen werd verder het onderzoek geleid. Gebleken is dat beide oudjes de hersens zijn ingeslagen. Of er geld vermist wordt is niet met zekerheid te zeggen. Vermoedelijk echter wel, want de familie Beumer stond bekend er warmpjes bij te zitten, niettegenstaande er oogenschijnlijk armoe heerschte. Bij het onderzoek in huis werd in een kist tusschen oude kleeren nog ¦850 aan geld gevonden. Alles wijst er op, dat de moord op klaarlichten dag is gepleegd. De bedden waren onbeslapen, terwijl een boer constateerde, dat de melkkoe Donderdagmorgen voor het laatst gemolken is. 's Morgens tusschen 3 en 5 uur heeft een metselaar op het erf gewerkt. Deze verklaarde niemand thuis getroffen te hebben. Hij is nog in de schuur geweest om een ladder te halen. 's Nachts om half een heeft een boerenknecht, die van de kermis kwam, licht in de woning zien branden. Door een drietal dokters zijn de lijken onderzocht, welke daarna in verzegelde kisten naar de algemeene begraafplaats zijn gebracht.

De boerderij lag in de Noordink, een buurtschap ten noord-oosten van Hengelo. Dit was in vroeger tijden een afgelegen gebied omzoomd door bossen verbonden met karrensporen. Met tal van vervallen boerderijtjes bewoond door excentrieke zonderlingen. In dit gebied woonden aan ‘den weg naar het Vaalferink’ Gerrit Jan Beumer en zijn vier jaar oudere zus Johanna.
Toen huisnummer 561, tegenwoordig Kreilweg 1 (Burghout)

Op wat punten week het verslag af van de lezing van Morsink. Deze schreef dat buurman Herman Wesselink (van de Bargel) direct naar Rodermond was gegaan, zonder zelf gekeken te hebben, zoals dat in bovenstaand artikel stond. Wesselink wist alles van de levens­wijze van de twee oudjes. Die leefden erg op zichzelf, hadden met niemand omgang en waren zeer wantrouwend. Gerrit Jan had een spraakgebrek en Johanna was blind. Ze zouden er ‘warmpjes’ bij zitten, maar dat was uiterlijk aan niets te merken. Volgens Morsink waren Rodermond en Wesselink samen naar binnen gegaan. De veldwachter wist de weg in het huis feilloos, hij was er als een van de weinigen kind aan huis. Ze kwamen binnen via het onderste deurtje van de achterdeur. Op deel bij het begin van de gang vonden ze het lijk van Gerrit Jan Beumer. De keel was gedeeltelijk doorgesneden en hij was zwaar mishandeld. Alles om hem heen was met bloed bespat. Vlak bij het lijk lag een greep, een voorwerp dat Beumer dikwijls bij zich had. De twee liepen verder door de gang en in de woonkeuken vonden ze het lijk van Johanna. Ze constateerden dat ze was vermoord door een slag op de schedel. Na deze gruwelijke ontdekkingen stelden Rodermond en Wesselink burgemeester Reijnst op de hoogte. Hij zond direct een telegram naar de officier van justitie in Zutphen:


Vermoord gevonden nabij dorp in hunne woning alleen wonende bejaarde broer en zuster.

Justitie arriveerde rond 15.00 uur om een onderzoek in te stellen. De dokters Beijl uit Zutphen en Meinders verrichten lijkschouwing. Hieruit bleek dat het tweetal donderdags tussen 15.00 en 16.00 uur waren vermoord, ten tijde van het vogelschieten op de Bleek...

Het eerste vermoeden was dat het geen roofmoord betrof. Tussen de kleren van Johanna bevond zich 850 gulden. Door justitie werd Rodermond, samen met de marechaussee uit Ruurlo, ingezet bij het onderzoek. Dit leverde al direct problemen op. Het had 's nachts geregend, zodat het gebruik van een speurhond zinloos was. Een onderzoek op vingerafdrukken kon ook niets meer opleveren, omdat Rodermond alle voorwerpen, die daarvoor in aanmerking kwamen, had aangeraakt. Wesselink had geen enkel voorwerp van belang beroerd. De veldwachter was dus van een ongelooflijke stupiditeit of hij had het met opzet gedaan en dat kon maar om één reden zijn…

De gemeenteveldwachters Schuurman en Wisselink waren, op verzoek van Reijnst, niet bij het onderzoek betrokken. Als reden gaf hij op, dat hij ze niet kon missen. Morsink ver­klaarde nader: Wie Reijnst heeft gekend, zal zich niet over deze beslissing verbazen. Hij was een persoon die puur voor zichzelf leefde. Van werken moest hij niets hebben. Hij liet liever de veldwachters onbelangrijke boodschapjes voor hemzelf doen, dan dat hij ze op pad stuurde voor politie­dienst. Hij beschikte over weinig moed en wilde de twee veld­wachters maar het liefst bij hem in de buurt hebben. Men kon niet weten...

Krasse taal van de ambtenaar. Morsink betreurde het dat vooral Schuurman er niet bij betrok­ken was. Hij was uiterst geschikt voor dergelijke onderzoeken en wist ook van deze zaak enige belangrijke details.

De Beumers werden op 15 juli begraven: Hedenmiddag had onder toeloop van een grote menigte belangstellenden de begrafenisplechtigheid van den zoo wreed vermoorden G.J. Beumer en diens zuster. Behalve familieleden en de buren waren o.a. de burgemeester en secretaris dezer gemeente aanwezig om de overledenen de laatste eer te bewijzen. Bij het reeds gesloten graf hield ds. J. Barbas een lijkrede naar aanleiding van Lukas 12:5 tot 18.


Diverse aanhoudingen

Het hele dorp en omgeving waren uiteraard in rep en roer. Aller­lei geruchten deden de ronde. Het onderzoek van justitie leverde weinig op. Er werden wel personen gearresteerd. Vooral ongure figuren die zich ten tijde van de kermis in Hengelo bevonden en direct verdacht waren. Vlak voor de kermis was bij de Muldersfluite een diefstal gepleegd (zie 10 juli 1919). Twee liedjeszangers die als ongunstig bekend stonden, zaten hiervoor korte tijd 'onder de toren'. Nadat ze weer op vrije voeten liepen, waren ze een paar maal bij de boerderij van Beumer gesignaleerd. De politie hield hen aan, maar moest ze wegens gebrek aan bewijs weer laten lopen. Er volgden meer aanhoudingen. De Zutphense Courant:

- Zutphen 16 juli: Telkens loopen hier geruchten dat de bedrijvers van den afschuwelijken dubbelen moord op twee oude menschen te Hengelo gearresteerd zouden zijn. Zonder eenigen grond worden zelfs namen van verdachten genoemd. En gisteravond wisten de menschen elkaar te vertellen dat de moordenaar nu vast en zeker in Zutphen zou worden aangebracht met de Graafschapsche tram. Gevolg was dat na zessen tal van nieuwsgierigen in de Laarstraat en omgeving liepen te wachten. Maar er gebeurde niets. De justitie heeft de dader nog niet in handen. Wel is gisteren te Arnhem aangehouden G. van E., wiens opsporing door de marechaussee te Ruurlo was verzocht. Hij wordt verdacht van diefstal en bovendien is hij een van de beide gesignaleerden, die verdacht werden van de te Hengelo gepleegden moord. Tot dusver zijn echter geen aanwijzingen voor zijn schuld daaraan gevonden. Hij is ter beschikking van de marechaussee te Ruurlo gesteld.

-Deventer 19 juli: Op verzoek van de marechaussee te Ruurlo zijn hier in een volkslogement aangehouden een Duitscher en een Hollander die verdacht worden den dubbelen moord te Hengelo te hebben begaan. Hun antwoorden op verschillende hun gestelde vragen klopten niet. Vast staat, intusschen dat zij den dag van de moord in Hengelo zijn geweest. Een hunner had op z'n hemd, de andere op de revers van z'n jas verdachte vlekken, die nader chemisch zullen worden onderzocht. De vermoedelijke daders zijn overgebracht naar de brigade-commandant der marechaussee te Ruurlo, die met het onderzoek dezer zaak is belast. Ter aanvulling kunnen wij nog meedeelen, dat deze aanhouding geschied is op verzoek van de commissaris van politie te Zutphen. De aangehoudenen zijn zwervers, de oud-Zutphenaar B. en de Duitscher T., die vaak hier vertoefden op hun zwerftochten. In verband met den moord wordt nog gezocht naar een zilveren heerencylinder horloge dat ten nadeele van de vermoorde gestolen is. Het horloge draagt het nr. 19360 en aan den binnenkant van de kast staat het controlenr. 336.

Het onderzoek zat muurvast. Op 22 augustus werden in Aalten twee mannen gearresteerd. Hun signalement stemde overeen met dat van de twee verdachten op de moord. Dat betekent dat de verdenking nog steeds uitging naar zwervers. Gedacht werd aan samenhang met andere diefstallen in die dagen. Ter confrontatie werden direct enkele figuren opgetrommeld, maar het bleek een doodlopend spoor. Vijf dagen later moesten de twee wegens gebrek aan bewijs op vrije voeten worden gesteld. Volgens Morsink zijn ook de oud-veldwachter Antonie Hoevers en zijn zoon Hendrik-Jan als verdachte bestempeld geweest, maar ook hier bleek al snel dat ze onschuldig waren.


Meer voer voor geruchten

Op 14 augustus verklaarde de rechtbank in Zutphen dat de nalatenschap van broer en zus Beumer onbeheerd was. Tot curator werd notaris Koning aangewezen. Al op 16 september werd de boerderij met bijbehoren verkocht. Ten Have kocht het huis en erf voor ƒ3860, van drie percelen bouwland was de koper Jan Rodermond voor ƒ3031,31. Voer voor nieuwe geruchten. Daarbij kwam dat hij vlak voor de moord de gehele fruitoogst van de Beumers had gekocht, om deze vlak erna te verkopen...

Meer vreemde luchtjes omgaven de zaak. Een belangrijke getuige was metselaar Jan Willem Lubbers (1861-1940), volgens Morsink een ietwat "eigenaardig type". Hij was op de bewuste donderdagmiddag op het dak werkzaam geweest. Eerst ontkende hij iets gezien te hebben. Jaren later nam wachtmeester Woerts van de Koninklijke Marechaussee het onderzoek opnieuw ter hand. Toen verklaarde Lubbers wel een paar personen gezien te hebben, maar niet te hebben herkend. Vanwege de tegenstrijdige verklaringen werd hij in verzekerde bewaring in Zutphen gesteld. Dezelfde avond was hij weer vrij, “op verzoek van bepaalde krachten, zoals ds. Barbas, enz.”

Dan was er nog Antonie Meenink (1886-1927, gestorven door zelfmoord door verhanging). Hij had op donder­dag­middag gezien dat Rodermond en zijn zoon Jan Albert Rodermond langs de woning waren gelopen. Meenink werd niet aan een verhoor onderworpen... Velen hadden gezien dat Rodermond en zijn zoon vlak na het begin van het vogelschieten het terrein hadden verlaten. Een alibi hadden ze daardoor in elk geval niet. Het was dan ook geen wonder dat vanaf de eerste dag na de moord de Rodermond als mogelijke moordenaar werd genoemd. Vox populi, vox Dei!

Meerdere vreemde gedragingen van hem voedden het gerucht steeds sterker. Allereerst sprak het feit tegen hem dat hij direct de greep en de lijken had aangeraakt, Hij had als politieagent moeten weten, dat hij in verband met een sporenonderzoek niets aan de situatie had mogen veranderen. Het leek erop, dat hij juist zoveel mogelijk sporen had willen uitwis­sen. Dan waren er nog enige andere incidenten waarbij Rodermond in die tijd betrokken was. De oude Beumers hadden nauwelijks omgang met de buitenwereld. Toch was Rodermond er kind aan huis. Hij drong zich vaker bij dergelijke simpele mensen op en 'regelde' financiële zaken. Waarschijnlijk boezemde zijn uniform de mensen vertrouwen in. Zo woonden ook in de Noordink de zusters Breuijel. Twee excentrieke vrouwen, die geheel in afzondering in vervuilde staat op een totaal verwaarloosde boerderij leefden. Vrijwel niemand kwam daar in de buurt. Hun boerderij was zo vervallen, dat deze in elkaar zakte. Rodermond had de stenen van de puinhoop verkocht en de opbrengst in eigen zak gestoken zonder toestemming van de twee zussen. Ze dienden een klacht in, maar trokken deze later weer in. Vermoedelijk heeft hij ze alsnog een bedrag betaald.

Een ander geval was dat van Albert Besselink "de Jager" (1831-1908). Rodermond had hem betrapt bij het stropen en het geweer in beslag genomen. Jaren later ontdekte een zoon van Besselink dat een particulier het geweer van Rodermond had gekocht. Besselink diende een klacht in en Rodermond kreeg een boete van 60 gulden.

In 1921 kreeg Schuurman een tip van de koetsier van 't Kervel, Franz Petering over een dubieuze geldtransactie van Rodermond. Hij had van de als weinig snuggere bekend staande Jan Ellenkamp (1855-1929) duizend gulden geleend in ruil voor een schriftelijke schuldbekentenis. Schuurman, die Rodermond graag wilde pakken, overlegde met de officier van justitie en stelde een onderzoek in. De schuldbekentenis kwam boven water in een gele envelop in een glazen kast van zijn keuken. Het stuk was in goede stijl opgesteld. Juridisch was er geen speld tussen te krijgen. De officier liet via notaris Koning ervoor zorgen dat Rodermond het geld terug betaalde aan Ellenkamp, hetgeen hij ook inderdaad heeft gedaan. Deze verhalen stellen ook het geval van de Fokkink’s in een ander daglicht.

Op zich geen bewijzen voor de moord, wel tekenend voor het karakter van Rodermond. De verdenkingen werden steeds sterker en in het openbaar geuit. Daar was hij ook zelf van op de hoogte, maar hij stoorde zich er niet aan. Dat bleek uit het volgende. Morsink kwam bij zijn komst in 1920 in Hengelo aanvankelijk in hetzelfde pension terecht als Hendrik Schuurman, de eerder genoemde gemeente­veldwachter. Morsink interesseerde zich direct voor de zaak en de twee spraken er veelvuldig en uitvoerig over. Morsink leerde Rodermond persoonlijk kennen en beschreef hem als volgt: Hij was een persoon van middelmatige grootte, stevig gebouwd. Zijn uiterlijk normaal, deed echter niet prettig aan. Zijn oogopslag was schuw, loerend, terwijl hij de gewoonte had, dat wanneer men met hem een gesprek voerde hij nimmer zijn partner aankeek. Dit was volkomen in strijd met hetgeen een politieman moet doen. Bij het gesprek sloeg hij dan onophoudelijk denkbeeldige stofjes van zijn uniform. Hij stond verder bekend als een onverschrokken per­soon, die het woord 'bang' niet kende.

Morsink schreef verder over een ontmoeting met Rodermond: Op een avond kwam Rodermond bij Schuurman op bezoek. We zaten met ons drieën in mijn kamer aan de tafel. Na wat heen en weer gepraat bracht Schuurman het gesprek op de dubbele moord. Ik heb mij toen opzettelijk niet in het gesprek gemengd, maar des te beter geluisterd en Rodermond geobserveerd. De woorden van Schuurman waren hard en scherp en gingen recht op het doel af. Zelfs in zekere zin belastend en zodanig dat indien ze onjuist waren voldoende waren om een vervolging wegens smaad in te stellen. Rodermond bleef echter zwijgen en sloeg maar denkbeeldige pluisjes weg. Star voor zich uitkijken was het enige wat hij deed. Hij uitte geen enkel woord tot zijn verdediging. Nadien hebben we nimmer meer een gesprek met hem gehad.

Als Rodermond nog niet had geweten, dat men hem verdacht, dan wist hij dit wel na dit gesprek. Schuurman had het hem onverbloemd gezegd.


Reconstructie

Morsink zette in 1953 een en ander op een rij. Geen bewijzen, wel aanwijzingen en redeneringen gebaseerd op feiten.

  • Rodermond zat, ondanks zijn redelijke salaris, voortdurend in geldnood. Steeds was hij erop uit om wat bij te verdienen met allerhande handeltjes. Het is mogelijk dat hij de moord heeft gepleegd door financiële problemen, die misschien veroorzaakt werden door het kopen van de woning van manufacturier Levi Meijers tegenover het gemeentehuis.
  • Hij was een onverschrokken, onverschillig en hard persoon. Hij had vele vijanden in en rond het dorp.
  • Hij drong zich op bij vooral simpele mensen, die in afzondering leefden, maar wel geld hadden, vaak contant in huis. Hij wierp zich op als vertrouweling door ze met raad en daad terzijde te staan, vooral met hun financiën. Hij was dat in elk geval bij de families Beumer, Breuijel en Ellenkamp.
  • Het feit dat hij met Wesselink direct op onderzoek uitging en allerlei belangrijke objecten aanraakte, waarvan hij geweten moet hebben dat het onderzoek er door belemmerd werd.
  • Rodermond had bij de Beumer’s geld geleend op een schuldbekentenis. Dit kan de aanleiding van de moord geweest zijn. Mogelijk heeft hij de schuldbekentenis terug willen hebben. Rodermond wist waar deze lag, nl. in de eikenhouten kist in de keuken.
  • De dader moet een bekende geweest zijn, omdat hij zonder iets te forceren binnen is gekomen en omdat ook de blinde Johanna vermoord is. Zij moet de stem herkend hebben.
  • Ofschoon 850 gulden gevonden werd, kan er best geld gestolen zijn. Het stel kan meer in huis hebben gehad, waar niemand van wist, behalve... Een paar dagen voor de moord hebben de Beumer’s nog een groot bedrag ontvangen met een varkenshandel.
  • Rodermond en zoon hadden geen alibi.
  • Getuige Meenink, die de twee gezien had, werd niet verhoord.

Morsink zette na zijn bevindingen en vermoedens het volgende scenario in elkaar: Bij binnenkomst van Rodermond (al dan niet met zoon) zat Johanna op de stoel in de keuken en bevond Gerrit Jan zich elders in de woning. Rodermond heeft zich in de keuken geld of de schuldbekentenis toe willen eigenen. De blinde Johanna heeft dit gemerkt en aan de stem de dief herkend. Dit is de reden dat ook zij vermoord is. Want waarom zou een onbekende een blinde vrouw vermoorden? Zwervers hadden daarom eigenlijk niet als verdachte in aanmerking dienen te komen. Johanna riep haar broer. Die schoot te hulp met de greep in de hand en heeft een woordenwisseling met de agent gehad. Tijdens de worsteling die ontstond pakte Rodermond hem de greep af en sloeg hem neer. Daarna heeft hij hem de hals doorgesneden en Johanna neergeslagen. Een klap was voldoende, zij kon de slag niet aan zien komen en zich afweren. Rodermond vluchtte door de achterdeur om ongezien weg te kunnen komen in het bos. Hiervoor was het nodig om de onderdeur opzij te duwen. In dit verband viel op, dat hij de volgende dag direct met Wesselink naar deze deur liep. Alsof hij wist, dat hij daar zo naar binnen kon. Mogelijk heeft Lubbers hem bij het verdwijnen gezien. Rodermond heeft vast niet geweten, dat de metselaar op het dak aan het werk was, anders was het misschien slecht voor Lubbers afgelopen. Het is onwaarschijnlijk dat Lubbers iets heeft gemerkt, wat zich binnen het huis afspeelde. Hij zal Rodermond alleen buiten hebben zien lopen. De veldwachter heeft hem mogelijk bedreigd om dit te ontkennen.

Morsink heeft nog gesproken met het echtpaar Ten Have, dat de bewuste boerderij later kocht. Zij zijn op 24 oktober 1919 getrouwd. Toen ze er woonden, kwam Rodermond vrijwel elke dag op bezoek. Hij ging dan zitten en sprak nauwelijks. Hij haalde alleen een vlijmscherp zakmes tevoorschijn en vroeg of het geen mooi mes was. Een fraaie vorm van intimidatie. Hij wilde de percelen grond verkopen aan Jan Hendrik ten Have, die hij in september had gekocht. Uiteindelijk begon het Willemien ten Have te vervelen. Zij is naar het huis van Rodermond gegaan, om hem te verzoeken niet meer te komen. Hij is nadien ook niet meer geweest.


Overplaatsing

Morsink kon niet anders dan concluderen dat Rodermond de (hoofd-)dader moet zijn geweest. In hoeverre de zoon erbij betrokken was, viel niet te reconstrueren. Jan jr. is wel ondervraagd, maar was even zwijgzaam als zijn vader. Hij is jong gestorven en heeft mogelijk een geheim in het graf meegenomen.

Meerdere malen hebben politieagenten getracht het onderzoek weer op te pakken. Soms kregen ze daarvoor toestemming, maar gaandeweg liepen ze vast zodra de naam Rodermond viel. Op zich al verdacht. Anderen mochten niet eens een poging wagen helderheid in de zaak te brengen. Zij kregen het advies zich maar niet met de zaak te bemoeien. Het was overduidelijk dat Rodermond van hogerhand bescherming genoot. Een dergelijk fenomeen waren we al eerder bij het geval Kraaijenbrink tegengekomen. De oplossing was even simpel als verdacht: Rodermond werd overgeplaatst naar Twello. Tegelijkertijd werd hij zelfs nog bevorderd (weggepromoveerd heet dat) tot brigadier. Commissaris der Koningin, S. van Citters, schreef op 5 december: Gelezen een brief van den Minister van Justitie dd. 28 Nov. Jl. No. 703, 2e afdeeling C, houdende kennisgeving dat met 1 december 1919 is aangesteld tot rijksveldwachter-brigadier de rijksveldwachter (brigadier-titulair) ter standplaats Twello, J. Rodermond te Hengelo (G.)

De genoemde brief van de minister wekt de nieuwsgierigheid op. Het is niet al te gewaagd dat de overplaatsing met de moordzaak te maken had. Maar als dat het geval was, waarom is dit dan niet onderzocht? Hij zal toch niet overgeplaatst zijn vanwege geruchten. Mogelijk is het op eigen verzoek gebeurd, omdat hij in Hengelo de mensen niet meer ogen kon komen. De geruchten over Rodermond werden er alleen maar sterker door.

Per 14 januari 1920 werd hij uit het bevolkingsregister overgeschreven naar gemeente Voorst, waaronder Twello viel. Dat verliep ook weer wat vreemd, omdat daar nog geen woning beschikbaar was. Pas in september verhuisde het gezin naar Twello. Tot die tijd bleef Rodermond gewoon zijn dienstjes draaien in Hengelo. Uiteraard een onhoudbare situatie. Dat bleek ook uit het volgende voorval. In oktober 1920 moest de advocaat B.J. Nöthorn, getrouwd met een dochter van D.J. Jansen, zich voor de Zutphense rechtbank verantwoorden wegens smaad. De advocaat had in de tram van Zutphen naar Hengelo de veldwachter beledigd: Nu ben je voor je straf overgeplaatst; jij neemt het niet zoo nauw met processen-verbaal. We hebben een mooie politie in Hengelo die loopt te schooien langs de straat en gaat de cafés binnen om zich dik te zuipen. Nöthorn werd flink bestraft (honderd gulden boete), omdat de rechtbank vond dat iemand van zijn stand “een zekere beschaving” moest hebben. Maar het geval gaf duidelijk weer hoe de burgers over Rodermond dachten.


Conclusie

Allemaal aanwijzingen in de richting van Rodermond en/of zijn zoon. Bewijzen zijn nooit geleverd, simpelweg omdat er nooit naar gezocht is en omdat sporen gewist waren. Iemand in staat van beschuldiging stellen is een gevaarlijke zaak en een taak voor justitie, die het echter flink liet afweten. Dat Rodermond niet eens als verdachte werd aangemerkt, is natuurlijk uiterst merkwaardig en kwalijk. Het was het minste wat justitie had moeten doen, al was het alleen maar om de bevolking gerust te stellen. Er werd weer volstaan met een overplaatsing. Voor Rodermond kwam rijksveldwachter Bekke in de plaats.


Familie Rodermond

Jan Rodermond was geboren te Nijeveen in 1866. Hij trouwde in 1898 met Geziena W. Janssen (1876-1945). Vanuit Overasselt kwam het paar in 1905 in Hengelo (zie ‘Valschheid in een authentieke akte’). Ze hadden twee kinderen: dochter Geziena Jantina (1899) en zoon Jan Albert (1900-1934). De veldwachter kwam met vrouw en dochter op 9 november 1920 vanuit Voorst naar Apeldoorn. Bij zijn inschrijving stond vermeld: “oud-brig. rijksveldwachter” hetgeen erop duidt, dat hij niet meer als zodanig actief is geweest.

De ongehuwde zoon Jan (adjunct-commies bij de PTT) kwam er drie maanden later vanuit Zaandam ook weer bij. Hij overleed al op jonge leeftijd in 1934. Jan Rodermond sr. maakt nog net de bevrijding mee, hij stierf op 7 juli 1945 in Apeldoorn. Zijn echtgenote was vlak daarvoor heengegaan, op de dag van de bevrijding van Hengelo, 1 april 1945. Dochter Geziena trouwde in 1926 met Dirk Jan Bruggink, die in 1949 overleed. Zij hadden één zoon.

 

 

 

 


 

OUDSTE GESCHIEDENIS (tot 1900)

Dit verhaal is eerder verschenen op de website: www.oldhengel.nl

De paardenmarkten te Hengelo (G.)

Door G. Langeler (1918)

 “In ’t verleden ligt het heden”.

Dankzij de paardenmarkten is er wellicht geen dorp in den Achterhoek van Gelderland, dat in de loop der jaren, men mag wel zeggen eeuwen, door meer ‘vreemdelingen’ is bezocht dan Hengelo. Van heinde en verre, tot zelfs van ver over onze grenzen, kwam en komt men naar de “Hengelsche Peerdenmarkt” en op de drukke najaarsmarkten kent men het anders zoo stille en rustige, min of meer afgelegen dorp, ternauwernood terug.

Herhaaldelijk is de vraag gesteld: Hoe oud zijn de markten? Noch bij navraag bij verschillende ingezetenen, noch ten gemeentehuize kon ik daaromtrent eenig licht opsteken. Toch ben ik er eindelijk in geslaagd, van welwillende zijde daartoe in staat gesteld, den geboortedatum op te sporen en kunnen wij meedeelen, dat de Hengelosche Paarden- en Beestenmarkt op Michaëlis-avond (28 Sept.) door het Hof van Gelderland op 26 mei 1658 is ingesteld. De stichtingsbrief, welke geregistreerd in het Rijksarchief te Arnhem voorkomt (Commissieboek des Hoves van Gelderland, deel V fol. 94), luidt als volgt:

Octroy van een perden- ende beestenmerckt tot Hengeloe:

Wij Raden in name van de Heeren Staten des furstendoms Gelre ende graefschaps Zutphen allen dengeenen, die desen voorcommen sal, salut.

Doen te weten, also die geërfden ende ingesetenen van Hengelo ons hebben te kennen gegeven, dat sij op den laatst geholdenen landtdach binnen Zutphen aan gedachte heeren Staten hadden aengeholden om gebeneficieert te moghen worden met eene peerden- ende beestenmarckt jaerlicks, ende alle jaer op Michaëlis-avont tot Hengelo voorn. te holden, so is ‘t, dat volgens ende uijt cracht van de resolutie ende authorisatie, van welgedachte heeren Staten op den voorn. landtdach den 15 Juni 1657 genomen, nae voorgaende citatie tegens alle diegeene, die eenich interest souden vermeenen te hebben bij ’t vergunnen van den voorn. Peerden- ende beestenmerckt, ende dat denselven geïntereseerden, vermits nymant ten daeghe, dienende en compareerde, een euwigh stilswijghen was opgelecht vermogens sententie op huyden daervan uitgesproocken. Wij in name als boven tot meerder bevorderinghe van welstant, neeringhe ende traffieque den voorn. van Hengelo geoctroyeert, vergont ende geaccordeert hebben, octroyeren, vergunnen en accorderen hiermede, dat sij van nu voortaen – den voors. peerden- ende beestenmaerckt alle jaeren op Michaëlis-avont sullen mogen houden ende celebreren; willende mitsdien, dat elck een denselven in voeghen boven verhallt frequenterende ende persoonen met si in vee gebruijckende, genieten sodanighe rechten ende vrijheijden als van oldts tot vrije merckten si in staende ende behoorende. Ordonnieren daerom en bevelen hiermede allen drossarden, scholten, magistraten, richteren, voochden, officieren, ingesetenen ende eenen iederen, die dit aengaen magh, om den voors. peerden- ende beestenmerckt sullen kommen te frequenteren, den effecte van desen vrij ende onbeleth genieten ende gebruijcken te laten. Ende opdat een ieder daervan wetenheijt hebben moge, sullen die voors. geërfden ende ingesetenen van Hengelo van de jegenwoordighe toelatinghe ende concessie affisie moghen doen.

Dier t’oirconde hebben wij des Furstendoms Gelre ende Graefschaps Zutphen, grote segel onder aen desen brieff doen ende heijten hanghen.

Gegeven t’ Arnhem den 26 Maii 1658.

Het oorspronkelijke stuk, dat aan den richter van Hengelo zal zijn gezonden, is verloren gegaan, misschien wel bij den groote brand in Mei 1864 toen ook een deel van het archief der gemeenten een prooi der vlammen werd.

Opmerking verdient, dat uit het octrooi blijkt, dat de veemarkt, hoewel zij – althans voor zoover bekend – nooit van buitengewone beteekenis is geweest, even oud is als de paardenmarkt. Hoewel de markt in 1658 is ingesteld, mogen we toch vewilig aannemen, dat reeds lang voor dien tijd in Hengelo, een handel in paarden werd gedreven, de behoefte tot het houden van een markt steeds groter werd, tot zij eindelijk in genoemd jaar officieel werd erkend.

Hengelo is een der zeer weinige marktplaatsen in Gelderland – wij beperken ons tot deze provincie – welke in den loop der jaren hun oude roem hebben kunnen handhaven, ja, zelfs in bloei zijn toegenomen, getuige het feit, dat thans veertien markten jaarlijks worden gehouden.

Moge Hengelo tot de oudere paardenmarkten in Gelderland behooren, de oudste in dit gewest is zij niet.

Om hiervan een overzicht te verkrijgen, laten wij hier de plaatsen en stichtingsjaren volgen van de andere paardenmarkten, door het Hof van Gelderland (1543 – 1795) ingesteld:

Baar en Lathum 1692  Hien en Dodewaard 1788
Barneveld   1690 Horssen    1736

 

Beesd 

1620  Lichtenvoorde 1645

 

Driel    1631 Maurik   1786

 

Elst    1720  Nijkerk 1639

 

Geldermalsen       1716 Wageningen  1647

 

Gent      1724  Winssen 1670

 

Hedel   1719 Wijchen 1646

 

Heerewaarden 1611 Zoelen 1750

 


De meeste dezer markten worden niet meer gehouden of zijn sterk in beteekenis achteruitgegaan. Ook hebben steden als Zutphen, Lochem, Doetinchem, Doesburg en Tiel misschien al voor de instelling van het Hof paardenmarkten bezeten, doch van de meeste dezer is de beteekenis als paardenmarkt gerust als nihil te reduceeren. Zij bestaan in hoofdzaak “in den almanak”.

Omtrent paardenmarkten in de middeleeuwen vinden we alleen iets opgeteekend omtrent Beusichem. In 1464 werd al van een paardenmarkt gewag gemaakt, zoodat aan Beusichem de eer toekomt, de oudste paardenmarkt in Gelderland te bezitten. In Nederland had Zuidlaren in 1232 al een paardenmarkt.

Uit bovengenoemd lijstje valt op te maken dat de paardenfokkerij in de Betuwe van groote beteekenis is geweest. In het kwartier van Zutphen vinden we slechts drie marktplaatsen, nl. Baar en Lathum, Lichtenvoorde en Hengelo, waarvan de beide eerstgenoemden tot de geschiedenis behooren.

De markt te Lichtenvoorde, hoewel 13 jaar ouder dan die te Hengelo, heeft voor deze de vlag moeten strijken, wellicht doordat zij ongeveer drie weken later werd gehouden; zij viel nl. op St. Gallendag (16 Oct.). Ook wil ’t mij voorkomen, dat Lichtenvoorde op het gebied van paardenhandel een ongunstiger ligging innam dan Hengelo, daar laatstgenoemde plaats meer in de nabijheid van de IJsselstreek is gelegen, waar uiteraard de paardenfokkerij van meer belang was dan in het Oosten van de Graafschap, waar bovendien voor landbouwwerk meer gebruik werd gemaakt van den trekos. Nog een andere oorzaak deed in de tweede helft der 17de eeuw de paardenmarkten in de Graafschap in bloei verminderen, nl. het gebruik van ongeschikte dekhengsten. Door het gewestelijk bestuur van Gelderland werd den 11en September 1682 een placaat uitgegeven, waarvan de aanhef luidde:

Wij, Ridderschap en Steden der Graafschap Zutphen doen te weten: Als er te vreesen stat, dat door het houden van cleijne, jonge, slechte en onbequaeme springhengsten in deese Graafschap de generatie en de opfockinge van goede paarden daegelijx meer en meer mochte komen te verargeren, tot nadeel van de ingesetenen en tot groten ondienst en verval van de paerdenmarckten; zoo is ‘t, dat wij daerinne willende voorsien, tot conservatie van de oude luijster en reputatie van deeser Graefschapspaerden, alsmede om de aestimatie derselver te doen opclimmen, hebben geordonneert en gestatueert, gelijk wij ordonneeren en statuteeren bij deesen.

Uit den aanhef blijkt dus, dat er maatregelen moesten worden genomen, om het ras niet verder te doen achteruitgaan, dat de paardenmarkten in verval verkeerden, maar ook, dat de paarden uit onze omgeving reeds toen een ‘oude luijster en reputatie’ genoten.

In het placaat werd verder bepaald, dat alle hengsten binnen twee maanden na publicatie van het placaat, “zonder fout of uijtstel” moesten verhandeld of gesneden worden “te waere dat eenige van dezelve tot springhengsten wierden goedgekeurt.”

In 1682 werd dus reeds in deze provincie een hengstenkeuring ingevoerd. Het placaat bevatte voorts de eischen, waaraan de hengsten voor het vervolg moesten voldoen om goedgekeurd te worden. Deze waren: “De fockhengsten moeten zijn vast en wel gesloten van lijf, klaer van oogen, fijn en welbesneden van kop, helder van beenen, niet schuiloorig, speckhalsig, volvoetigh, dampigh noch kribbenbijtende.”

Ter nakoming van al de bepalingen van het placaat werden als commissarissen benoemd de heeren Robert van Heeckeren tot Enhuijzen en Jan Herman van Nagel tot Ampsen, Bartholdt van Diemen, burgemeester van Zutphen en Balthasar van Haghen of Dr. Arnoldt van Dam, burgemeester van Doetecom.

Uit een en ander blijkt voldoende, dat men in die dagen al vrij goed op de hoogte was van het exterieur van het paard en zoowel de verborgen, als de zichtbare gebreken reeds naar waarde wist te schatten, maar tevens, dat het er met den paardenhandel en de paardenmarkten niet rooskleurig uitzag. In hoeverre dit placaat verbetering in den toestand der markten heeft gebracht, valt niet na te gaan. De geschiedenis heeft echter geleerd, dat de Hengelosche markt aan den druk der tijden voldoende weerstand heeft kunnen bieden.

Een afdoende verklaring voor de opkomst en de bloei der Hengelosche markt is niet te geven. De meening, dat oudtijds in Hengelo de castreur (hengstensnijder) woonde en daardoor van lieverlede een markt ontstond, lijkt mij wel wat apocrief, daar de meeste veulens in het voorjaar gesneden worden en de markt juist in het najaar werd gehouden. Meer waarschijnlijk is ‘t, dat Hengelo door de wellicht toenmaals gunstige ligging, de uitverkoren marktplaats werd. En wie zegt ons, of niet een krachtig initiatief van toenmalige ingezetenen – al zijn hunne namen onbekend gebleven – een sterke steun voor de markt is geweest!

Zooals uit den stichtingsbrief blijkt, werd oorspronkelijk slechts één markt gehouden en wel op Michaëlis-avond, dus op een vaste datum. De eerste markt, 28 September 1658, viel op Zaterdag. Dat ook op Zondag markt werd gehouden, was voor dien tijd niets bijzonders. Zelfs nog heden ten dage worden op tal van plaatsen jaarmarkten en kermissen op Zondag gehouden. Eerst veel later, in de tweede helft der vorige eeuw, werden alle marktdagen op Woensdag gezet. Van den Woensdag is, voor zoover mij bekend, later nooit afgeweken.

De St. Michielsmarkt is tot op den huidigen dag de meest belangrijke gebleven en het is wel merkwaardig, dat aan deze markt nooit eenige feestelijkheid of vermakelijkheid is verbonden geweest; zelfs de jaarlijksche verloting, naar ik meen ingesteld in 1898, werd aan deze markt onthouden en aan de Koldemarkt verbonden.

Omtrent de markten der eerste jaren weten wij met zekerheid niets. De zgn. handelsusantiën, als ‘afzien’ op oogen en ademhaling, zullen ook toen al wel bestaan hebben. Vermoedelijk werden oorspronkelijk de markten op het kerkplein, d.i. buiten den kerkhofmuur gehouden, zooals eertijds gebruikelijk was.

Het vrij groote aantal straten en gangen, dat nog heden tot het kerkplein toegang geeft, wijst er nog wel eenigszins op, daar zij uitstekend als monsterterrein konden dienen. Of bij den aanvang en het eindigen der markt de klokken werden geluid, of bij de opening een kruis werd opgericht, zooals in de middeleeuwen de gewoonte was, valt alleen te veronderstellen, en voor wat het laatste betreft, zelfs te betwijfelen.

Eerst in later jaren, toen de markt allengs het karakter van een jaarmarkt kreeg, zal de paardenmarkt naar het einde der Spalstraat zijn verplaatst. Thans vindt men in de onmiddellijke nabijheid der kerk nog de schapen- en varkensmarkten, terwijl de beestenmarkt het begin der Spalstraat inneemt. Verder vindt of vond men op de groote markten om de kerk kuipwerk, ijzerwaren, schoenwerk, manufacturen, kramerijen, koek, kaas, visch, leder, touwwerk, zadelmakersartikelen, aardewerk, en in het najaar kool, uien, peen, enz., terwijl in vroeger jaren veel vlas, hennep en houten gebruiksvoorwerpen werden aangevoerd.

De veemarkten werden, bij het heerschen van besmettelijke ziekten als veepest en mond- en klauwzeer, af en toe verboden. Hoewel ons land in de 18de eeuw herhaaldelijk door veepest werd geteisterd, nl. in 1713, 1740 – 1757 en 1768 – 1780, werd in 1768 voor het eerst het marktverbod als bestrijdingsmiddel toegepast. Hoe ontzettend de ramp in die jaren was, moge hieruit blijken, dat alleen in de gemeente Hengelo in de jaren 1768 – 1774 niet minder dan 1466 runderen aan veepest stierven, waarvan 793 in 1774. De grootte van de veestapel in dien tijd in aanmerking genomen, is dit aantal ontzaglijk groot. Ook ten opzichte van boeren en vervoer van vee werden tal van beperkende bepalingen vastgesteld, zoodat valt aan te nemen dat ook de paardenmarkten er  onder leden. In 1865 deed de gevreesde ziekte wederom haar intrede in ons land, tot zij in 1867 verdween.

Niettegenstaande de verschillende tegenspoeden, begon de markt meer en meer in een bepaalde behoefte te voorzien, daar langzamerhand het aantal jaarmarkten werd uitgebreid. Ofschoon gegevens hierover ontbreken, is het waarschijnlijk, dat eerst de kermismarkt is bijgevoegd. In een oude Provincialen Gelderschen Almanak van 1796 worden reeds vijf markten vermeld, nl. Woensdag 27 April (Meimarkt), Donderdag 12 Mei (Pinkstermarkt), Woensdag 6 Juni (Kermismarkt), Woensdag 28 September (St. Michielsmarkt) en Dinsdag 15 November (Koldemarkt).

De Laurentius- of Knollenmarkt is ergens tussen 1796 en 1835 ingevoegd; de overige na 1850.

© w.j.m. hermans 2007

 



 

19e EEUW

Eerder gepubliceerd op de website: www.oldhengel.nl  Zie ook Averenk Landhuis op deze website onder boerderijen.

Kasteel 't Averenck

Hengelo kende in vroeger tijden meer landhuizen dan tegenwoordig. Enkele namen waren Het Langeler, Het Stapelbroek, De Dunsborg, Heisterboom, Leemkuil, Mokkink en ’t Averenck. Net als in Vorden dikwijls aangeduid als kasteel, maar meestal ten onrechte.

’t Averenck, onder buurtschap Bekveld, kwam dicht bij de kwalificatie ‘kasteel’, maar desondanks was het meer een groot landhuis of havesathe. Het werd omgeven door een gracht. Het gebouw werd gesierd door een klokkentoren en het geheel had een regelmatige aanleg (zie tekening). Aan de voorzijde van het landhuis was het zgn. voorplein met links en rechts een bouwhuis. In 1825 werd deze regelmaat verstoord, doordat het rechter bouwhuis werd afgebroken.

Vanaf de huidige Banninkstraat tot het landhuis liep een oprijlaan met aan weerszijden drie eiken. Deze oprijlaan liep ongeveer parallel aan de tegenwoordige Bruinderinkweg. Rechts van het kasteel stond een boerderij ‘Brunderinck’ genaamd.

Al in geschriften uit 1378 kwam de naam Berent ’t Averenge voor als eigenaar van het huis. In 1484 kwam het in bezit van Steven van Kervenheim. Tot 1727 is het bezit daarna ongewis, maar in dat jaar werd Johan Van Essen eigenaar. Van 1841 – 1852 woonde er burgemeester Wilt Adriaan Wilbrenninck. 

Toen in 1874 de laatste bewoner jhr. Steengracht d’Oosterland overleed, werd de havesathe voor afbraak geveild. Enkele veilingstukken: een torenuurwerk met wijzerbord en inrijpoorten.

Ook het ‘Brunderinck’ kwam vermoedelijk gelijktijdig onder de slopershamer. Het verwijderen is zeer grondig gedaan, van de fundamenten is niets meer terug te vinden. Wel zijn door de bewoners van het huidige ‘Bruinderink’, de familie Luesink, enkele stukken steen en aardewerk in het land gevonden, waarvan aan te nemen is dat deze afkomstig zijn van ’t Averenck. Ook zijn er nog sporen van een weg terug te vinden die naar boerderij Doekelenborg liepen. 

Het landgoed, waarvan 120 ha. in de gemeente Hengelo en 32 ha. in de gemeente Zelhem lag, werd pas in 1911 samen met enkele boerderijen geveild. Dit geschiedde door een nazaat genaamd jhr. mr. Hendricus Adolphus Steengracht, heer van Duivenvoorde, Voorschoten en Veur. Van hem is bekend dat hij is geboren op 25 april 1836 te ’s Gravenhage en zijn loopbaan begon als kamerjonker van koning Willem III. Later werd hij kamerheer van de koning en kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina.

Ook was hij lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. Hendrik Steengracht stierf op 12 mei 1912 in Parijs.


Enkele Hengelose namen van kopers op de veiling:

Bernhard Luesink, landbouwer

- Johannes Klem, manufacturier

- Derk Jan Jansen, koopman

- Bernhard Agterkamp, landbouwer

- Johannes Rondeel, metselaar en landbouwer

- Hendrikus Albertus Bosman, landbouwer

- Derk Jan Harmsen, landbouwer

- Hermanus Onstenk, rietdekker

- Jan Onstenk, rietdekker

- Reinierus Johannes Lubbers, timmerman en winkelier

- Hendrik Wansink, koopman

- Derk Jan Maalderink, landbouwer

- Jan Maalderink, landbouwer

- Gerrit Jan Klein Gotink, landbouwer.

De naam ’t Averenck leefde in de 20e eeuw voort in het in 1920 gebouwde hotel/restaurant/café van de familie Michels aan de Spalstraat, inmiddels weer afgebroken in de negentiger jaren. Ook is een huis, nabij de plek waar het landhuis vroeger stond, zo genoemd.